Absint met… Daphne de Heer

Stephanie Heijtel

In de rubriek ‘Absint met…’ neemt Stephanie Heijtel samen met een figuur uit de neerlandistiek – prominent of niet – het nieuws van de afgelopen twee maanden door. Wat is er gebeurd sinds de vorige Absint verschenen is? Tevens probeert Stephanie enkele profetische uitspraken te ontlokken. In dit nummer Daphne de Heer, directrice van Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam.

Dinsdagavond 18:00 uur. Ik stap met een goedgevulde fles absint het appartement van Daphne binnen. Het loopt tegen kerst, maar bij haar geen overdreven kerstversiering. Wel word ik hartelijk begroet door twee katten. Daphne bekijkt de meegebrachte fles enthousiast. ‘Fijn! Dan is er voor de politie bewijsmateriaal als we het niet overleven. Ik heb nog nooit absint op, maar laten we het proberen.’ Na de eerste slok: ‘Tering Jantje, wat een goed spul. Zo kom ik de kerst wel door. Ik kan me voorstellen dat je geen organen meer overhoudt als je dit elke dag drinkt, maar tot die tijd… Ik vind het nog best lekker!’

Ik steek van wal. Sinds 2009 is Daphne werkzaam bij Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (kortweg SLAA), vanaf 2010 in de hoedanigheid van directrice. Ik vraag haar hoe ze hier terecht is gekomen.

‘Dat ging eigenlijk via Lisa Kuitert, bij wie ik ben afgestudeerd. Na mijn studie begon ik in eerste instantie met freelancen: voor uitgevers werken, wat tijdschriftjes oprichten en weer ter ziele laten gaan. Dat soort zaken. Dat vond ik fijn. Na een jaar of zeven, acht, belde Lisa me op: “Joh, er komt een vacature vrij bij de SLAA, en dat leek me écht iets voor jou.” Ik zei toen dat ik daar helemaal geen zin in had. Ik ben een geboren freelancer, ik hou van mijn vrijheid en ben helemaal niet van de kantoorbanen. Bovendien vond ik de SLAA toen een beetje een ouwelullenclub. Daar nam Lisa geen genoegen mee, we zouden tóch een kopje koffie drinken. Tot zover mijn assertieve poging. Bij dat kopje koffie pakte Lisa helemaal uit: er was volgens haar toch echt maar één iemand die de SLAA kon redden, en ja, ik hád helemaal gelijk, maar dan kon ik er toch wat leuks van maken? Ik vond dat ze daar wel een punt had: je kan wel klagen over iets wat je niet leuk vindt, maar je kunt dat ook zelf veranderen. En zó’n kantoorbaan was het nu ook weer niet. Dus toen heb ik toch maar een brief geschreven en werd ik het tot mijn schrik uiteindelijk ook nog.’

Ze neemt een slok absint en vervolgt: ‘Ik denk dat de SLAA nu wel een stuk meer naar deze tijd is gehaald. Ik probeer programma’s te maken die voor iedereen zijn, niet alleen voor een klein clubje intellectuelen. Natuurlijk moet je reëel zijn, en is literatuur vaak nog altijd voor de happy few, maar bij een programma als ‘Noorderwoord’ zie ik ook publiek uit Tuindorp Oostzaan, en dat zie je niet veel. Daar word ik dan heel blij van: dat de Tinies en Lenies ook komen en het gewoon heel leuk vinden. Wat dat betreft denk ik dat je niet méér kunt slagen binnen het spectrum van dat wat je doet: literatuur.’

Verder met het nieuws. Daphne vertelt dat ze vooral een app-swiper is. ‘Ik scharrel mijn nieuws bij elkaar via mijn appjes. Daar sta ik mee op en ga ik mee naar bed. M’n krant heb ik eruit gegooid. Alleen in het weekend koop ik ze allemaal voor de boekenbijlage, omdat dat toch mijn werk is. Met die appjes merk ik wel dat ik me vaak niet meer precies kan herinneren wat ik allemaal heb gelezen. Dat is het grote nadeel van nieuws sprokkelen: je bent het heel snel weer kwijt. Ik neem de laatste jaren ook wat meer afstand van het nieuws. Ik ben iemand die zich heel erg van alles gaat lopen aantrekken en het nieuws is daarom helemaal niet goed voor m’n bloeddruk. Ik lees dan liever een boek. Dan weet je ongeveer hetzelfde, maar dan doorvoeld, vanuit de mens. Je kan het nieuws wat meer duiden.’ Ze nipt van haar absint. ‘Dit spul is echt fucking heet. Echt, ik sta in de fik jongen!’

‘Ik lees het nieuws ook wel op persoonlijke interesse. Omdat ik met de SLAA in Noord zit, viel me vandaag bijvoorbeeld op dat er binnenkort waarschijnlijk twee bruggen over het IJ gebouwd gaan worden. Ook lokaal nieuws vind ik stiekem heel fijn, maar mijn grootste secret pleasure is Donald Trump. Ik heb een soort obsessie voor het feit dat macht altijd in handen van de verkeerde mensen komt te liggen. Ik vind dat een beul geen plezier mag beleven aan zijn werk. Zoiets zei Harry Mulisch ooit, en dat is een van de weinige dingen die ik met hem deel, want verder kon ik hem niet heel goed hebben. Je moet geen beul hebben die uit sadisme mensen vermoordt. En dat geldt ook voor machthebbers: ze mogen niet op macht kicken. Dan ben je voor all the wrong reasons een “macht hebber”, en niet iemand die een soort nobele verplichting voelt zijn talenten in dienst te stellen van iets groters.’ Ze vertelt verder: ‘We leven in een tijd waarin er steeds meer ruimte komt voor megalomane gekken en waarderen dat ondertussen ook nog: mensen verwarren psychopaten voor leuke, eigenwijze selfmade men. Zo iemand heeft alleen toevallig een carrière aan de goede kant van de wet gekozen. Het fascineert mij altijd enorm hoe zoveel mensen dat kunnen toejuichen.’

Daphne denkt even na en concludeert dan: ‘Uiteindelijk kun je nog in het best in een democratie als de onze leven, die van een soort laffe halfslachtigheid aan elkaar hangt. Neem bijvoorbeeld dat Teeven-briefje: er komt een motie van afkeuring, iemand zegt misschien net een beetje sorry en dan zijn we weer klaar. Ik heb dat debat live met een vriend gevolgd en we hebben ons gigantisch zitten opwinden over alles. Het was een fascinerend schouwspel. Maar ook weer van een onbeholpenheid en niet-doortastendheid…’ Ze slaakt een diepe zucht. ‘Ik snap het ook wel. Ze zijn in dat kabinet natuurlijk allemaal als de dood dat Wilders ervandoor gaat met de stemmen. Dat is ook interessant aan deze tijd: dat er in Europa allerlei leiders opkomen die er een nogal – op z’n zachtst gezegd – rechts denkbeeld op nahouden, en dat alle andere partijen daar heel conservatief en bang van worden. Ik denk altijd: laat maar uitzweren. Als er zo’n etterbult in de maatschappij zit, dan moet hij ook maar bovenkomen en springen. Wees niet bang en laat Wilders gewoon met dertig zetels proberen een coalitie te vormen, en überhaupt dertig competente mensen bij elkaar zien te krijgen. Wees niet zo laf en wees niet zo bang, en neem het ook gewoon serieus als die etterbult er zit. Je kunt niet alleen maar wijzen, dat het Wilders’ schuld is en dat al die mensen dom zijn. Die mensen zijn niet dom, maar wel gruwelijk teleurgesteld in de politiek.’

Later komt Daphne nog terug op het Teeven-debat. ‘Mijn punt is eigenlijk: we leven in een tijd waarin niemand nog écht verantwoordelijkheid durft te nemen voor iets, en daar de consequenties van durft te dragen. Dat niemand voor z’n eigen functioneren gewoon eens lekker “sorry” durft te zeggen. Ik denk dat de wereld er voor iedereen veel beter uit zou zien als juist de mensen op sleutelposities laten zien dat fouten maken mag. Want voor je het weet ga je geloven in een maatschappij waarin geen fouten meer gemaakt mogen worden. Je voelt al een beetje dat dat zo is: alles moet goed gaan, met jou moet het goed gaan en alles wat je doet moet direct een succes zijn, direct deelbaar zijn als succes. Wat een onzin, we lopen allemaal net zo te oenen als dertig jaar geleden. Maak je maar geen illusies.’ De absint vloeit intussen rijkelijk. ‘Het is écht superheftig spul, echt te gek! Ik ga het gewoon meenemen naar m’n ouders!’

Door naar het literaire nieuws. In de week voorafgaand aan ons gesprek is bekend gemaakt dat de P.C. Hooftprijs 2016 aan Astrid Roemer is toegekend. Ik vraag Daphne wat ze hiervan vindt. ‘Tsja, ik vond het fantastisch voor haar, maar ik heb me geen seconde kunnen onttrekken aan de indruk dat dit een politieke keuze is geweest. Ik ben wel een oude zeikerd, hè, maar ik vind het jammer dat het niet intrinsiek in jury’s zit om breed te denken en een beetje uit het eigen blanke, intellectuele wereldje te stappen. Zulke jurygesprekken worden vaak op een vrij postkoloniaal niveau gevoerd, waarbij het eigen kwaliteitsbegrip hélemaal voorop staat en alles wat daarvan afwijkt, nou ja, een beetje als inferieur wordt beschouwd.’

‘Sowieso komen we nog weinig in aanraking met teksten die ons echt helemaal vreemd zijn. We lopen als een kudde schapen mee met wat we al kennen, waar we ons thuis bij voelen, waarmee we ons kunnen identificeren. Maar hoe heerlijk is het om je juist ook eens in te laten met iets wat je helemaal niet kent. Iets waar je misschien van denkt: dit vervreemdt me, dit verwart me en ik weet helemáál niet of ik hier iets mee heb, maar ik zie wel het belang ervan in en dit moet er ook zijn. Er ligt internationaal gezien nog zóveel: hele segmenten, landen, continenten die zich nog aan ons moeten openbaren. Nu ook allerlei taalopleidingen wegvallen wordt dat natuurlijk helemaal een zorg. Hoe houd je hier dan de mondiale literatuur in leven? Ik kan heel ongelukkig worden bij het idee dat ik geen boeken meer uit het Pools, of uit het Tsjechisch kan lezen, en dan hebben we het nog over Europa. Daarbuiten hebben we het over hele gebieden waaruit we überhaupt nauwelijks boeken lezen. Dáár moeten we een lans voor breken. Anders word je heel navelstaarderig en verklein je je betrokkenheid bij de rest van de wereld enorm. Als je de verhalen van een ander niet leest, kan je je ook niet inleven.’

De fles absint is aan het eind van de avond aanzienlijk leger. ‘God, wat een spul, man. Je gaat er onwijs van lullen. Ik hoor mezelf. Ik was niet toerekeningsvatbaar tijdens dit interview!’

Biografie

Naam
Daphne de Heer

Geboortejaar
1972

Geboorteplaats
Leiden

Woonplaats
Amsterdam

Burgerlijke staat
Ongebonden

Opleiding
Nederlandse taal- en letterkunde, UvA

Gepubliceerd door Mira Sys - 29 maart 2016, 22:14

tags:

reageren


‘Ik heb je bedrogen’: over de zin en onzin van deze uiting

Mira Sys

‘Ik heb je bedrogen.’ Vier woorden die menig mens al veel hartzeer hebben bezorgd. Maar ook vier woorden waar veel verwarring over kan ontstaan. Voor sommige mensen betekenen ze het einde van een zeer mooie relatie, soms zelfs veroorzaakt door een misverstand. Dit was bijvoorbeeld het geval bij Jan de Bakker. Toen hij tegen Marlies de Vis zei dat hij haar had bedrogen, bedoelde hij namelijk helemaal niet dat hij seks had gehad met de babysitter. Integendeel, het was slechts een vluchtig kusje op de lippen geweest, dat een einde maakte aan hun huwelijk. Nu Marlies daar vijf jaar later op terugblikt, zegt ze toch spijt te hebben van haar beslissing. Had ze toen maar begrepen wat haar Jan bedoelde.

De grote vraag die bij dit alles gesteld kan worden: waar komt al die onduidelijkheid vandaan? Een nadere analyse van de uiting zal misschien uitleg kunnen verschaffen. ‘Ik heb je bedrogen’ is een taalhandeling die geplaatst kan worden in de groep van‘beweerders’. Beweerders zijn taalhandelingen waarbij de spreker iets zegt over iets of iemand (in dit geval over zichzelf). Als de spreker een beweerder naar voren brengt, bindt hij zich tot op zekere hoogte aan de waarheid van de naar voren gebrachte propositie. Het is dus belangrijk dat Jan gelooft dat het feit dat hij Marlies heeft bedrogen, op een zekere waarheid berust.

Taalfilosoof John Searle heeft enkele geslaagdheidsvoorwaarden uitgewerkt, aan de hand waarvan we kunnen bepalen of een taalhandeling geslaagd is of niet. Deze uiting (‘ik heb je bedrogen’) is bijvoorbeeld pas geslaagd wanneer aan alle geslaagdheidsvoorwaarden van een bewering is voldaan. In dit geval zijn dat:

1. Jan is niet gehandicapt en kan spreken
2. De uiting heeft inhoud
3. Het bedrog moet al hebben plaatsgevonden, en niet nog op het punt staan plaats te vinden
4. Jan gaat ervan uit dat Marlies nog niet weet dat hij haar bedrogen heeft
5. Jan gaat ervan uit dat Marlies er niet vanzelf achter zal komen dat hij haar bedrogen heeft
6. Jan gelooft oprecht dat hij Marlies heeft bedrogen
7. Jan wil Marlies echt laten weten dat hij haar heeft bedrogen
8. Jan wil ook dat Marlies begrijpt dat hij haar heeft bedrogen

Omdat aan al deze voorwaarden voldaan lijkt te zijn, zou ‘ik heb je bedrogen’ volgens Searles redenering een geslaagde taalhandeling moeten zijn. Maar waar komt dan die verwarring vandaan? Voor een antwoord op die vraag kunnen we terecht bij de maximes van Grice. Grice stelt dat elke conversatie een beginsel van samenwerking tussen de gesprekspartners impliceert, omdat uitingen nooit ‘zomaar’ op elkaar volgen. Om deze samenwerking in stand te kunnen houden moeten de uitingen aan bepaalde voorwaarden voldoen, die Grice maximes noemt. Hij onderscheidt vier maximes: de maximes van kwaliteit, kwantiteit, stijl en relevantie. Als we weer teruggaan naar het voorbeeld van Jan en Marlies, zien Grices maximes er ongeveer zo uit:

1) Maxime van kwantiteit:
a. Jan moet Marlies voldoende informatie geven door te zeggen hoe hij haar bedrogen heeft
b. Jan moet Marlies niet te veel informatie geven door te zeggen hoe lekker die babysitter wel niet was
2) Maxime van kwaliteit:
a. Jan moet niet zeggen dat hij Marlies bedrogen heeft, als hij dat niet zelf gelooft
b. Jan moet niet zeggen dat hij Marlies bedrogen heeft, als hij daar niet genoeg bewijs voor heeft
3) Maxime van stijl:
a. Jan mag niet te vaag zijn
b. Jan moet ambiguïteiten vermijden
c. Jan moet kort zijn
d. Jan moet de informatie in zijn uitspraak logisch ordenen
4) Maxime van relevantie
a. Jan moet ervoor zorgen dat zijn bijdrage ertoe doet

Ondanks dat er hier en daar een overlapping met Searles geslaagdheidsvoorwaarden is, heeft Grice wat nuttigere theoretische informatie over ons huidige vraagstuk. Het is tussen Jan en Marlies vooral misgegaan doordat Jan niet zei op welke manier hij Marlies had bedrogen, en door de vaagheid van de term ‘bedriegen’, die voor iedereen iets anders betekent. Er is dus zowel een probleem met het eerste als met het derde maxime. Had Jan zich dus gehouden aan de maximes van Grice, dan was alles duidelijk geweest voor Marlies. Een aanrader voor de toekomst dus!

Marlies denkt er na deze analyse ernstig over na om Jan weer in huis te nemen. ‘Het werpt opeens een heel nieuw licht op de situatie,’ vindt ze. Moraal van het verhaal: voor een huwelijkscrisis kunt u altijd bij Absint terecht.

Gepubliceerd door Mira Sys - 3 maart 2016, 17:13

tags:

reageren


Ik zeg niets

Bodine Castien

Ik zal niet zeggen dat ik niet goed wist welk stijlfiguur deze keer een plekje in Absint zou verdienen, maar de keuze was ronduit moeilijk. Om nog maar te zwijgen over het grote aanbod aan stijlfiguren. Ik zal niet vertellen hoe ik uiteindelijk een keuze heb weten te maken, maar na wat googelen heb ik maar gewoon de knoop doorgehakt.

Voor wie na het lezen van de eerste alinea nog niet weet over welk stijlfiguur het gaat, zal ik niet zeggen dat ik het natuurlijk over de praeteritio heb. De praeteritio is al sinds eeuwen voor Christus in gebruik en betreft een stijlfiguur die vooral in de retorica bekend is en een grote rol speelt bij het strategisch manoeuvreren.

Snoeck Henkemans (2008) onderscheidt twee typen praeteritio’s. Bij de eerste ontkent de spreker dat hij zichzelf bindt aan een propositie en bij de tweede ontkent de spreker dat hij iets zal vertellen, noemen of ergens over zal spreken. Maar wat is nu het doel van praeteritio? ‘Door een gebondenheid te ontkennen of aan te kondigen dat men een bepaalde taalhandeling niet gaat uitvoeren, wordt de aandacht van het publiek dus al gevestigd op de uitspraak die sprekers of schrijvers zeggen niet voor hun rekening te willen nemen of niet te zullen doen. Vervolgens wordt die uitspraak toch gedaan, maar meestal op zo’n manier dat de tegenstrijdigheid tussen dat wat de spreker zegt te doen en wat hij in werkelijkheid doet, gemaskeerd wordt. Zo kan praeteritio, wanneer deze figuur gecombineerd wordt met specifieke presentatietechnieken, zowel een vorm van benadrukken als een vorm van verbergen zijn’, aldus Snoeck Henkemans.

In Den Haag zijn ze groot fan van de praeteritio. Politici kunnen met deze stijlfiguur namelijk kritiek uiten zonder dat zij hier verantwoordelijk voor kunnen worden gehouden. Ik wil u nu niet vervelen met een reeks citaten, maar de volgende voorbeelden klinken u misschien nog wel bekend in de oren. Ik wil ook niet beweren dat Geert Wilders bekend staat om het gebruik van de praeteritio, maar het internet puilt uit van de citaten van Wilders met deze stijlfiguur. Zo vond hij in 2010 dat het CDA naar zijn mening wel iets té graag wilde regeren en formuleerde dat op de volgende wijze in De Telegraaf: ‘Ik zeg niet dat ze hun moeder verkopen om te gaan regeren, maar ze hebben er wel heel veel voor over om in een kabinet te komen.’ Ook onze premier Mark Rutte is bekend met de praeteritio en had in 2006 het volgende te zeggen: ‘En ik zal niet zo flauw zijn te zeggen dat het de bewindslieden van de PvdA waren, want dat is te gemakkelijk.’

Ook in de literatuur is de praeteritio niet weg te denken. Zo is het volgende citaat er eentje van Charles Dickens uit The Life and Adventures of Nicholas Nickleby uit 1839: ‘Het is in het geheel niet aan mij om te zeggen hoe en in hoeverre het sommige echtgenotes lukt om hun mannen onder de duim te houden, zoals zij doen, hoewel ik een persoonlijke mening koester aangaande dit onderwerp en hoewel ik zou kunnen denken dat geen enkel lid van het parlement getrouwd zou moeten zijn, aangezien drie van de vier getrouwde leden moeten stemmen in overeenstemming met het geweten van hun vrouw (als zoiets al bestaat).’ Met een praeteritio kun je dus overtuigen zonder drogredelijk te zijn, en daardoor draagt deze uitstekend bij aan het retorische én dialectische doel bij het strategisch manoeuvreren. Een handig trucje dus.

Last but not least zal ik niet beweren dat een praeteritio als hoofddoel heeft om te amuseren, maar een betoog wordt er zeker een stuk leuker op. Of een column natuurlijk.

Gepubliceerd door Mira Sys - 3 maart 2016, 16:24

tags:

reageren


Gemarginaliseerde drogredenen: over het argumentum ad feminam

Claudia Zeller

Tot kort geleden beschouwde ik alles wat met drogredenen te maken had als tamelijk genderneutraal terrein, maar ook hier geldt: blessed are the ignorant. Van de zomer las ik door toedoen van een vriendin een soort feministisch pamflet over pornografie en prostitutie. Zodoende kwam ik in aanraking met het argumentum ad feminam, ofwel de op vrouwen toegespitste variant van het ad hominem.

Terwijl het ad hominem als de oervader der drogredenen te boek staat, kent het ad feminam slechts een bestaan in de marge. Het internet is een goede graadmeter om deze aanname te toetsen. Zo levert de zoekterm ‘argumentum ad hominem’ meer dan 200.000 resultaten op; het argumentum ad feminam daarentegen moet het doen met slechts een tiende daarvan.

Dit volledige gebrek aan sprekende voorbeelden die op internet circuleren is verbazingwekkend. Nu is ‘het internet’, zoals ik mijn studenten Nederlands elke week opnieuw probeer duidelijk te maken, geen bijzonder betrouwbare bron. Toch is het op zijn minst opmerkelijk dat er talloze voorbeelden van het argumentum ad hominem te vinden zijn, terwijl de specifiek vrouwelijke variant, het ad feminam dus, het moet doen met een vermelding op de Wikipediapagina van het ad hominem. Niet alleen heeft iets zonder eigen lemma op Wikipedia tegenwoordig een nogal twijfelachtige ontologische status, ook lijkt het ad feminam hier slechts als variant op de rib van Adam te kunnen bestaan: als afgeleid en niet volwaardig verschijnsel, een bijzaak.

Het zou te makkelijk zijn om de schuld hiervan neer te leggen bij het ad hominem of diens uitvinder. Met andere woorden: we kunnen niet spreken van een intrinsiek anti-emancipatoire aangelegenheid. Ook die aanname is makkelijk te toetsen als je kijkt naar de contexten waarin een ad hominem dan wel een ad feminam wordt gebruikt. Dat het ad hominem ook tegen vrouwelijke deelnemers aan een discussie gericht kan zijn, moge duidelijk zijn. De vraag is of het ad feminam ook tegen mannen kan worden gebruikt. Mocht dat het geval zijn, dat hebben we hier te maken met een drogreden die pretendeert genderspecifiek te zijn, maar het in feite niet is, een soort drogreden in drag.

Het gebruik van het ad feminam is verbazingwekkend simpel en kan in bijna elk geval gereduceerd of geabstraheerd worden tot het idee dat je over onderwerp x niks te melden hebt omdat je een vrouw bent. Een ad feminam dat zich uitsluitend op mannen richt, zou dus mannen het recht van spreken willen ontzeggen puur en alleen vanwege het feit dat ze tot het mannelijke geslacht behoren. Wanneer het dus bijvoorbeeld gaat over zwangerschap, menstruatie, of andere vrouwelijke ergernissen, lijkt zo’n argumentatie op het eerste gezicht wel geoorloofd en redelijk. Toch wordt hierdoor de binaire oppositie man-vrouw in stand gehouden omdat er wordt uitgegaan van een fundamenteel verschil tussen mannen en vrouwen.

De binaire oppositie die tussen het ad hominem en het ad feminam wordt gesuggereerd, kan pas gedeconstrueerd worden als je tegen een man zegt dat hij er niks van mag zeggen omdat hij een vrouw is. Let wel: dit is niet van toepassing wanneer er wordt gezegd dat een man of jongen zich gedraagt als een meisje of vrouw, dus ‘Niet janken, want dat doen alleen meisjes’ valt hier niet onder.

Los van het feit dat ik de uitvinding van nieuwe drogredenen van harte toejuich, voel ik veel voor deze deconstructivistische aanpak. Ten eerste omdat het een drogredelijke uitspraak loskoppelt van discriminatie die zich baseert op aannames die van toepassing lijken te zijn op een hele groep. Deze aanname lijkt op het eerste gezicht misschien tegenstrijdig, omdat discriminatie nou eenmaal baat heeft bij een bepaalde categorisering, meestal van zogenaamde ‘minderheden’, en aan de hand daarvan stereotiepe en denigrerende eigenschappen aan iemand toekent.

Maar geldt eenzelfde redenering niet ook voor het ad hominem? Niet per se. Omdat de oude witte man nog steeds als pars pro toto fungeert, is het klassieke ad hominem niet per se discriminerend. Het is je goed recht om iemand voor domme lul uit te maken, ook al is het niet zo netjes. Het is immers ook geoorloofd om tegen een loodgieter te zeggen dat hij van tomaten telen geen verstand heeft en daarom zijn bek moet houden, ook al is het niet zo netjes.

Gepubliceerd door Mira Sys - 3 maart 2016, 16:08

tags:

reageren