Prof. dr. Ir. Wim Jansen, bijzonder hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto

Ava Creemers / Absint 4

1970: Afgestudeerd in de Lucht- en Ruimtevaarttechniek (Delft)
1989: Afgestudeerd in de Vergelijkende Taalwetenschap met als specialisatie het Baskisch (Leiden)
2008: Aanstelling Bijzonder Hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto (Amsterdam)
Jansen geeft de Open UvA colleges Interlinguïstiek en Esperanto.

Donderdagmiddag, café Ovidius op de Spuistraat. Dit is de plek waar Wim Jansen zijn toevlucht zoekt wanneer hij niet in het PC Hoofthuis hoeft te zijn, dat hij een ‘ongezellige bunker’ noemt. Hij wacht ons op aan een tafeltje, met op de achtergrond de grijze contouren van PCH. Jansen heeft een bijzondere carrière achter de rug. In 1970 studeerde hij af in de Lucht- en Ruimtevaarttechniek aan de TU-Delft. Later is hij Comparatieve Taalwetenschap gaan studeren in Leiden en afgestudeerd met als specialisatie het Baskisch. Momenteel bekleedt hij de functie van Bijzonder Hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto aan de UvA.

Jansen bestelt koffie en antwoordt bedachtzaam als ik hem vraag naar zijn keuze om Lucht- en Ruimtevaarttechniek te gaan studeren. ‘De wereld zat anders in elkaar dan nu. Als je op de leeftijd van twaalf of dertien een studierichting moest kiezen, dan was het advies van de ouders en de school het belangrijkst. Als je vader zei: ‘Neem die richting, want daar kun je goed geld in verdienen’, dan deed je dat. De generatie van mijn ouders is de generatie van de Tweede Wereldoorlog, de generatie van de grote crisis, van de mensen die niets hadden. Zij maakten zich ontzettend zorgen om hun kinderen. Dan lag het niet voor de hand om je kind een alfa-studie te laten doen, met weinig beroepsmogelijkheden. Het land was in wederopbouw en overal was techniek nodig. En ik was gek op wiskunde, nog steeds.’

Jansen geeft aan dat zijn passie voor taal even groot is als zijn passie voor de exacte vakken. Dat blijkt ook uit het feit dat hij zichzelf op twaalfjarige leeftijd het Esperanto heeft geleerd. ‘Mijn vader had zich vooral de eerste tien jaar na de Tweede Wereldoorlog actief met het Esperanto beziggehouden, vanuit een ideële doelstelling. Hij had een aantal boeken in zijn kast staan, geschreven in het Esperanto. Die kon ik niet lezen, en dat was uiterst irritant. De enige manier om daar overheen te komen was om die taal te leren.’ En zo geschiedde. In één zomervakantie leerde Jansen zichzelf aan de hand van de oude boeken van zijn vader de complete grammaticale structuur en basiswoordenschat van het Esperanto aan.

Het Esperanto (1887) is een kunsttaal ontworpen door L. Zamenhof. Het moest een eenvoudig te leren taal zijn, om de internationale communicatie te vergemakkelijken. Deze taal moest dus naast de moedertaal komen te staan, in plaats van deze te vervangen. Het idee was dat één taal voor iedereen bij zou dragen aan de verbroedering van de samenleving. Omdat het Esperanto een taal zonder onregelmatigheden is, valt het in relatief korte tijd te leren.

Waar kwam u te werken na uw studie Lucht- en Ruimtevaarttechniek?
‘Ik ben na mijn studie terecht gekomen in een tak van de onbemande ruimtevaart. Ik heb daar projecten geleid waar apparatuur ontwikkeld moest worden om biologische en biomedische experimenten te doen aan boord van Russische onbemande satellieten. Ik hield me bezig met het terrein van de gewichtloosheid. Zwaartekracht is voor alles op aarde een factor waar je niet om heen kunt: aan koude of warmte kan je iets doen, maar de zwaartekracht zal er altijd zijn. Wij ontwikkelden de apparatuur voor de experimenten rondom gewichtloosheid, en bouwden het in de satellieten in. Die satellieten werden gelanceerd door de Russen, twee weken later kwamen ze weer terug en konden wij de apparatuur uitladen en in het laboratorium analyseren.’

Een enthousiaste uitweiding over dierexperimenten in de ruimtevaart, André Kuipers, hoofdpijnstoornissen, zwaartekracht, botontkalking van astronauten en de wetenschap volgt. Uiteindelijk valt het woord ‘taalwetenschap’. Terwijl Jansen belangrijk pionierswerk verrichtte in de ruimtevaart, begon hij namelijk aan de studie Vergelijkende Taalwetenschap in Leiden. ‘Vergelijkende Taalwetenschap was een bovenbouwstudie, het eerste jaar moest je een propedeuse in een talige richting doen. Daarna kon je verder gaan in de Vergelijkende Taalwetenschap, dat bestond uit een grote verzameling exotische talen, waaronder het Baskisch.’

Waarom het Baskisch?
‘Met het Baskisch ben ik op een gegeven moment in aanraking gekomen via vrienden en kennissen. Ik vond het een interessante taal: het is de oudste taal van Europa, de enige niet-Indo-Europese taal van Europa en een taal waarvan mensen zeggen dat het een dialect van het Spaans is, terwijl het niets met het Spaans te maken heeft. Ik wilde mezelf testen: het Baskisch is zo hondsmoeilijk. Ik wilde mezelf er professioneel in trainen.’

Jansen studeerde af bij Rudolf de Rijk (een inmiddels overleden ‘grootmeester’ op het gebied van het Baskisch) en publiceerde na zijn studie over het Baskisch. Hij publiceerde onder andere het eerste Baskisch-Nederlandse woordenboek en een elementair leerboek Baskisch voor de Amerikaanse markt. Later bleek het feit dat Jansen twee masters op zak had, en al gepubliceerd had in een talige richting het doorslaggevende argument voor de UvA om hem het bijzonder hoogleraarschap aan te bieden. Jansen voldeed namelijk niet aan de formele eisen toen hij solliciteerde voor de functie: hij was nog niet gepromoveerd. In 2002 werd hij aangenomen als universitair docent Interlinguïstiek en Esperanto, verbonden aan de afdeling Taal- en letterkunde van de UvA. Tegelijkertijd werkte hij aan zijn proefschrift, waarop hij in 2007 promoveerde.

De interlinguïstiek is de wetenschap die zich bezighoudt met tussen- of kunsttalen: door de mens gemaakte internationale verkeerstalen. ‘Het Esperanto is hiervan de bekendste en de enige die is uitgegroeid tot een taal van een wereldwijde gemeenschap die haar eigen literatuur, radioprogramma’s en internetverkeer heeft en in deze taal congressen organiseert.’

Vanwaar die carrièreswitch?
‘Het is misschien een kromme carrière, maar ik heb mijn brood verdiend in de ruimtevaart. Op een gegeven moment werd de geldkraan dichtgedraaid voor de onbemande tak van de ruimtevaart waar ik mij mee bezighield. Ik kreeg de gelegenheid om op goede voorwaarden weg te gaan. Tien jaar lang had ik echt pionierswerk gedaan, een bureaubaan kon ik logischerwijs niet meer accepteren.’ Jansen stopte in de ruimtevaart en bij toeval kwam er enige tijd later de vacature vrij voor de bijzondere leerstoel Interlinguïstiek en Esperanto aan de UvA, omdat Jansens voorganger, Marc van Oostendorp, was gestopt.

Was de overstap van exact naar alfa lastig?
‘Ik heb het grote geluk gehad dat als je bent afgestudeerd in een bètarichting, het relatief makkelijk is om er andere dingen bij te gaan doen. Omgekeerd niet, daar ben ik van overtuigd. Als je afstudeert in een alfa-richting, verander je na tien à twintig jaar niet naar een bètarichting. Andersom wel, dat kom je in de historie geregeld tegen: mensen met een exacte opleiding kunnen relatief makkelijk omschakelen omdat je toch een zekere discipline meekrijgt in de bètarichtingen. Het ruwe, schoolse en strenge werk dat je vijf jaar lang hebt moeten doen op de TU helpt je enorm. Dan is die overstap voor sommigen misschien verbazingwekkend, maar die hoeft niet al te moeilijk te zijn.’

Leerde u het Esperanto ook vanuit een ideële doelstelling, of was het puur uit interesse?
‘Mijn vader had drie en half jaar in Japan gevangen gezeten en kwam als een wrak terug naar Nederland. Hij was totaal gedesillusioneerd en vond in het Esperanto iets moois. Ik daarentegen heb het Esperanto opgepikt uit pure nieuwsgierigheid, zonder dat ik echt wist waar ik mee bezig was als jongentje van twaalf. Later werd ik lid van een jongerenvereniging en werd ik gegrepen door het verenigingsleven, ik voelde me daar thuis. Dat gevoel is verzwakt, het is een wat meer afstandelijke technische belangstelling gebleven.’

Het Esperanto is een taal die sprekers bindt, een taal waardoor mensen zich gegrepen voelen. Dat is een belangrijke reden waarom het Esperanto nog steeds bestaat en waarom andere kunsttalen verdwijnen. Binnen de interlinguïstiek is het Esperanto de enige echte praktische toepassing die nog van zich doet spreken, waardoor het Esperanto steeds als voorbeeld moet worden gebruikt binnen de context van de interlinguïstiek. Het doel van het Esperanto, om een makkelijk te leren, internationale en neutrale (geen nationale taal) kunsttaal te creëren voor de internationale communicatie, lijkt naast een nobel streven daarom ook een rationele gedachte.

Is het Esperanto, net als andere kunsttalen, gevoelig om te verdwijnen?
‘Ik verwacht het wel. Als je naar 125 jaar Esperanto-historie kijkt, dan zie je dat er geen doorbraak is geforceerd. Daar zijn toch vijf generaties mee bezig geweest, en het is er niet van gekomen. Als je naar drie millennia cultuurgeschiedenis kijkt, dan zie je dat het iedere keer per definitie de taal van de sterksten is die wint. Of het nu het Latijn is dat de Romeinen hebben geëxporteerd, of het Frans dat na Lodewijk de 14e door heel Europa is omarmd, of het Engelse Amerikaans… Blijkbaar is de politiek machtiger dan een zuiver rationele argumentatie om voor een bepaald probleem een oplossing te zoeken.’

Maar u pleit nog steeds voor een neutrale taal als het Esperanto?
‘Als wij met sprekers van andere moedertalen moeten praten, moeten we daar een oplossing voor vinden: we leren elkaars taal of maken gebruik van tolken. Het blijkt echter dat in de internationale gemeenschap het leren van elkaars taal altijd beperkt blijft tot het leren van enige sterke talen die overheersen. Maar die ook dusdanig kunnen overheersen, dat die overheersing ten koste gaat van de andere talen. Aanhangers van het Esperanto, en daarmee van de gedachte van een neutrale taal voor iedereen, zijn van gedachte dat er niets op het Engels tegen is, als het Engels het Nederlands met rust zou laten. Maar dat gebeurt niet. Je hebt altijd een scheve situatie: iedereen moet een vreemde taal leren, behalve de Engelsen. Op deze manier bereik je dus nooit gelijkheid. Het Esperanto is juist gecreëerd om het mogelijk te maken die gelijkheid wel te bereiken: door een eenvoudig te leren middel aan te bieden, dat iedereen extra moet leren. Daarnaast is er voor het Esperanto veel minder inspanning nodig dan bij het leren van een andere vreemde taal, zodat er voldoende tijd overblijft om je met je eigen taal bezig te houden en andere vreemde talen te leren. Het Esperanto zet zich niet af tegen vreemde talen, maar wil juist een laagdrempelig middel bieden waarbij iedereen zich goed voelt.’

Iedereen zou Esperanto moeten leren?
‘Ik blijf geloven dat iedereen het Esperanto zou moeten leren, maar dat het gebeurt, dat geloof ik niet meer. Ik vind het Esperanto een mooi product, waar veel mensen gelukkig mee zijn, maar ik geloof niet dat het Esperanto ooit zijn oorspronkelijke missie zal voltooien.’

Waarom heeft u uw kinderen niet als tweede moedertaal het Esperanto geleerd?
‘Mijn kinderen zijn tweetalig opgevoed: Nederlands-Italiaans, omdat hun moeder Italiaans is. Ik heb haar ontmoet op een Esperanto-congres en onderling hebben we een tijd Esperanto gepraat, maar dat is al snel in Italiaans en later in Nederlands veranderd. We hebben het Esperanto nooit aan de kinderen doorgegeven omdat mijn vrouw en ik geen missionarissen zijn. We hoeven het niet op te leggen of op te dringen aan onze kinderen. Het aardige is dat voor mijn kinderen het Esperanto een heel mooi idee is, ze zouden het altijd steunen, ook al spreken ze er geen woord van. Ze hebben er een positieve houding tegenover, maar ik denk dat als ik het ze door de strot geduwd had, ze zich er tegen af waren gaan zetten.’

Als bijzonder hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto geeft Jansen college en doet hij onderzoek. Het idee van de leerstoel is niet om het Esperanto te promoten, maar om te leren van deze taal. Zo kan het Esperanto op het gebied van de learnability van talen (de research focus van het ACLC, het Amsterdam Center for Language and Communication) erg interessant zijn, omdat het Esperanto bedoeld is om ‘learnable’ te zijn. ‘De vraag is: is dat gehaald op alle gebieden van het Esperanto, of zijn er ook onderdelen die mensen moeilijk vinden? En wat kunnen we daarvan leren? Is het daar moeilijk waar de Algemene Taalwetenschap had kunnen voorspellen dat het moeilijk zou zijn? Het is interessant omdat het Esperanto bewust gecreëerd is, met als gevolg dat je vrij makkelijk bepaalde dingen kan onderzoeken. En dat is een taalwetenschappelijk belang dat de UvA dient.’

Het belang van het Esperanto voor de Algemene Taalwetenschap komt duidelijk naar voren in een onderzoek van Jansen op het terrein van de woordsoorten. Jansen laat in het Esperanto een ontwikkeling zien, die een bepaalde theorie in de taalwetenschap ondersteunt: de zogenaamde lexeem-specialisatie [een lexeem is een combinatie van fonemen, morfemen en lettertekens en komt min of meer overeen met wat op lexicaal niveau een woord wordt genoemd – red.] ‘Er zijn talen die het woord ‘kopje’ kunnen gebruiken als zelfstandig naamwoord, als bijvoeglijk naamwoord, als werkwoord en als bijwoord van wijze. Je hebt talen die dit hebben gespecialiseerd: ‘kopje’ is dan alleen een zelfstandig naamwoord, zoals bijvoorbeeld in het Nederlands.’ Jansen heeft in zijn onderzoek aangetoond dat het Esperanto oorspronkelijk een flexibel systeem heeft, maar dat de eerste sprekers hier een systeem van hebben gemaakt dat in zekere zin nog flexibel is, maar dat een subsysteem heeft van lexemen die verbaal en non-verbaal gespecialiseerd zijn. Deze historische ontwikkeling gaat steeds verder, en het is waarschijnlijk dat het Esperanto systeem over honderd jaar helemaal niet meer flexibel is. Binnen de Algemene Taalwetenschap is de hypothese dat als er een specialisatie optreedt in een taal, dit de eerste is die zal optreden. Het Esperanto geeft dus steun aan deze theorie.

We mogen dus concluderen dat een kunsttaal spontaan evolueert, net als etnische talen?
‘Dit onderzoek is inderdaad een teken van spontaan leven: een taal gedraagt zich zoals de sprekers dat willen. Dit kun je echter ook weer doortrekken en daar de Esperantisten mee bang maken: stel je voor dat er 100 miljoen sprekers van het Esperanto zouden zijn, heb je dan nog steeds de illusie dat het één taal zou blijven? Nu is het Esperanto een kleine taal met veertig- tot honderdduizend sprekers met een onaantastbaar fundament [een soort grondwet over het Esperanto – red.] Van deze set regels mag je niet afwijken, je mag er iets aanbouwen, maar je mag het fundament niet wijzigen. Dat is nog te doen binnen zo’n relatief kleine gemeenschap. Op het moment dat je de taal loslaat, en het wordt een euro-taal voor in de eurobureaucratie, dan zie ik dat er iets heel anders gaat gebeuren. Dan gaat zo’n taal waarschijnlijk een eigen leven leiden, met nieuwe varianten. En op die manier ben je misschien weer terug bij af.’

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 24 april 2012, 15:54

tags: , , , ,

reageren