Utrecht voor dichters

Daan Doesborgh / Absint 2

“Waar hebben we eigenlijk afgesproken?”, vraag ik mijn reisgezel op deze woensdagochtend. “Onder het grote bord op Utrecht Centraal” luidt het antwoord, en ik verheug me op de aanblik van Ingmar Heytze, gevorderd Utrechter, auteur van onder andere de bundels Utrecht voor beginners en Utrecht voor gevorderden, gewezen stadsdichter van Utrecht bovendien, die ietwat verloren ogend onder het bord met reisinformatie staat te wachten. Ik had beter moeten weten. Ingmar staat als een pro een eindje bij het bord vandaan en wijst ons op het mooiste fotomoment dat we ons hadden kunnen wensen. Voor het bord staat Awater, hoed op, koffer bij zijn been. We leggen hem vast en gaan op weg. De hal wordt door voorbijgangers doorstroomd. We betreden Hoog-Catharijne, een gebouw dat je bijna verplicht bent te haten, maar in Heytzes woorden deze ochtend lijkt die afkeer verborgen te blijven. “Dit winkelcentrum is eigenlijk net zoiets als ‘Awater’, je loopt hier ook altijd achter iemand aan. Ik denk overigens dat Nijhoff Hoog-Catharijne echt te gek had gevonden, en hier een flatje zou hebben gekocht. Hij zat graag in de bedrijvigheid van de stad.”

De Awaterwandeling zoals die beschreven is door Niels Bokhove in het boek Awaters spoor begint pas als we het winkelcentrum uit zijn, dus we maken van de gelegenheid gebruik om het over het gedicht zelf te hebben. “Als een gedicht langer wordt dan een pagina of vier vind ik het heel snel gezeur worden. Bij ‘Het Uur U’ heb ik dat bijvoorbeeld. Het is literair gezeur, maar wel gezeur. Bij ‘Awater’ ligt dat anders. Ik herlas het op weg hiernaartoe en het viel me op hoeveel uitspraken uit ‘Awater’ onze taal binnengedrongen zijn. ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ natuurlijk, en ‘Ik zoek een reisgenoot’ of ‘zij vertrekt op het voorgeschreven uur’. Ik wist het al niet meer, maar dat komt allemaal uit ‘Awater’. En dat terwijl het eigenlijk gaat over het achtervolgen van een man die een restaurant binnengaat, een lied zingt en weer vertrekt. Voor het verhaal hoef je het niet te lezen.”

We verruilen het winkelcentrum voor Vredenburg. De straten zijn met asfalt geplaveid. Ik merk dat de echo, die ons uitgeleide deed door de hall met tegels, buiten zwijgt. Ingmar Heytze benadrukt hoezeer Utrecht een stad is met een literaire historie. “Er zijn bepaalde perioden uit de geschiedenis waar je als Utrechter haast automatisch respect voor hebt, dat is er echt ingeramd. Het interbellum is er daar een van. Het is heel bijzonder dat al die kunstenaars hier bijeenkwamen. Ze zijn niet allemaal actueel meer, Jan Engelman bijvoorbeeld is behoorlijk achterhaald, maar Nijhoff heeft zijn sporen ook nagelaten in de hedendaagse poëzie. Er loopt als je het mij vraagt een duidelijke lijn van Nijhoff naar bijvoorbeeld Menno Wigman, maar ook naar iemand als Gerrit Komrij.”

Over de Oudegracht lopen we verder. Het boekje waar de Awaterwandeling zo braaf in beschreven staat geldt, net als stoplichten (“Stoplichten zijn maar een advies. Een goedbedoeld advies, maar wel een advies”) als een vage richtlijn. Via het Nijntje-pleintje en de sluizen waar ooit Bloem en later ook Heytze zo melancholisch van werden (“Als je daar zo staat en je kijkt naar beneden denk je toch wel bij jezelf: tsja, vanitas.”) lopen we naar de Plompetorengracht. Anders dan bijvoorbeeld het gebied rond Vredenburg is Utrecht hier weinig veranderd sinds Nijhoff hier rondliep. “Met zo’n boekje in je hand kijk je door de ogen van de dichter. Als je wilt, lopen al die schimmen met je mee. Als je er over nadenkt is het eigenlijk een tegennatuurlijke beweging die we hier maken. Een dichter probeert in zijn poëzie zijn omgeving te ontstijgen, en wij proberen jaren later om middels die poëzie Nijhoffs omgeving te reconstrueren.”

Aan de overkant van waar Nijhoff in zijn jonge jaren Nederlands studeerde en college had van onder meer De Vooys, drinken we koffie en praten over de waarde van een wandeling als dit. Sommige plekken uit de wandeling zijn door Nijhoff bevestigd of aangevoerd als plekken die model stonden voor ‘Awater’, andere zijn gebaseerd op gissingen. Het blijft natuurlijk nattevingerwerk in hoeverre deze wandeling de wandeling van de ‘ik’, die natuurlijk nooit daadwerkelijk gelopen is, weerspiegelt. Toch denkt Heytze dat ‘Awater’ op veel plekken wel degelijk naar bestaande plekken in Utrecht te herleiden is. “Ik zou het zelf ook doen, zo’n gedicht baseren op de plekken waar je vaak komt. Daar hoef je niet zo veel meer aan te verzinnen. Ik heb wel eens overwogen om te proberen een soort Dan Brown-achtige detective over Utrecht te schrijven waarin allerlei echt bestaande plekken voorbij komen, maar ach. Het leven is te kort.” Als we een garage passeren loopt een grote zwarte hond een eindje mee op. Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon dat men eerst ziet of men bij hem kan horen. “Soms heb je voor even een hond”, verzucht Ingmar Heytze, en we lopen door.

Iets braver het boekje volgend bekijken we enkele plekken waar Nijhoff ooit gewoond moet hebben om dan het boekje weer de rug toe te keren en richting de Singel te lopen (“Zo’n wandeling zou ook eigenlijk niet langer moeten duren dan het duurt om dat gedicht een keer of vijf te lezen.”). De nette straten worden zandpaadjes langs het water en tussen de bomen, en het gereconstrueerde Utrecht van Nijhoff wordt het hedendaagse Utrecht van Ingmar Heytze. “Ik kan maar moeilijk uitdrukken hoe dierbaar dit stuk Utrecht voor me is. Dit is echt mijn Utrecht.” Een vrouw knoopt een grote bos ballonnen aan een parkbankje op Lepelenburg en gaat er weer vandoor. Ingmar stelt voor naar de botanische tuin te gaan, daar ligt een plaquette ter ere van Nijhoffs ‘Het kind en ik’. “En het is ook een erg mooie tuin.” Ondertussen horen we legio anekdotes over Utrecht, over de beeldhouwer Joop Hekman wiens dove, stokoude Chow Chow zo geliefd was dat men een standbeeld voor hem op heeft laten richten. Over de problematiek van een dove hond uitlaten, want toen Hekman op vakantie ging werd Heytze gevraagd op het dier te passen. “Zijn kruissnelheid was ongeveer de helft van de onze, dus hij kon nooit ver zijn, maar je bent zo gewend een hond te roepen. Dan stond hij weer ergens naar een lantaarnpaal te kijken. Na een tijdje viel hij om. In slaap gevallen.”

De botanische tuin bij het Universiteitsmuseum is inderdaad een aanrader. De tuin was ooit overwoekerd, en men wilde er een parkeerplaats van maken. Een groep buurtbewoners heeft de boel toen opgeknapt en de tuin van de ondergang gered. Ook Heytzes moeder heeft hier als vrijwilliger gewerkt, en als kind aan huis leidt Ingmar ons dan ook door de kassen en perken. “In de botanische tuin op de Uithof hebben ze een vlinderkas. Daar werkt een vlinderopzichter, die over de hele wereld poppen verzamelt die ze dan in die kas uit laten komen. Sinds ik dat gehoord heb, vind ik vlinderopzichter het meest poëtische beroep dat ik ken.”

Na de tuin is het tijd toch weer even terug te keren naar het Utrecht uit ‘Awater’. De straat wordt breder. Uit de bomen druipt dauw. Recht voor ons ligt het stationsgebouw. We lopen richting het Spoorwegmuseum, het station waar de ‘ik’ zijn wandeling eindigt door op de trein te stappen. “Toen Nijhoff ‘Awater’ schreef in 1934 was Utrecht nog niet fout, maar wel hard op weg het te worden. Een paar jaar later zat de Maliebaan hier vol met de hoofdkwartieren van de NSB en de SS. Vlak na ‘Awater’ is het juk van die oorlog over Utrecht gedaald, en in dat gedicht voel je dat aankomen. In Nijhoffs tijd hing hier echt de oorlog in de lucht. Je voelt dat heel sterk in zijn poëzie, niet alleen ‘Awater’ maar bijvoorbeeld ook ‘Het Uur U’, dat gevoel dat er iets aan komt, dat er iets staat te gebeuren.”

Het gedicht is afgelopen. De Oriënt Express, die in werkelijkheid nooit uit Utrecht is vertrokken, zien we langzaam wegbewegen van het perron. Zij zingt, zij tilt een knie, door stoom omstuwd, en wij lopen door naar de laatste stop op onze wandeling. Een roze geverfd huis aan de Oude Gracht. Een plaquette op de muur herhaalt wat Ingmar Heytze ons al had verteld: hier woonde Nijhoff met onder meer Pyke Koch en Jan Engelman en, voor deze wandeling interessant: hier schreef hij Awater. We zijn aangekomen op de plek waar het allemaal begonnen is, de enige plek in Utrecht waar de wandeling die we deze ochtend na hebben proberen te bootsen daadwerkelijk gelopen is.

Ingmar leidt ons via volksbuurt de Zeven Steegjes terug naar het station. Onderweg gaat zijn telefoon.
“Ah, mijn prachtige jonge vriendin.
Ja heel erg.
Over een kwartier.
Over tien minuten.
Over vijf minuten.
Oké ik pak nu mijn fiets en ik kom naar de rechtbank.”
Ongeruste lezers kan ik geruststellen. De Rechtbank is een hotel in Utrecht met een zeer comfortabel terras. Een en ander werd ook door de rest van het telefoontje duidelijk: “Bestel maar vast iets kouds voor me.”
Aangekomen bij het station namen we afscheid van Ingmar Heytze, gevorderd Utrechter, stadsgids, reisgenoot. Onze trein vertrok op het voorgeschreven uur, maar niet voordat Ingmar nog met een goed idee kon komen: “Volgende keer de Theo Thijssenwandeling?”

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 25 april 2012, 14:48

tags: , , ,

reageren


Absint, een geschiedenis

Daan Doesborgh, update door Mira Sys

Absint is het tweemaandelijks tijdschrift over Neerlandistiek van de UvA. Hierin vind je artikelen over moderne en historische letterkunde, taalkunde en taalbeheersing. Absint probeert deze vier disciplines allemaal evenveel aandacht te geven en ze te combineren met de actualiteit en inbreng van studenten en docenten aan de UvA.
Zoals Neerlandici en alcoholmisbruik hand in hand gaan, zo is er een onbreekbaar huwelijk tussen Helios en Absint. Vele afdelingen van de UvA hebben hun eigen tijdschrift: Filosofie, Duits, Rechten, zelfs Literatuurwetenschap doet een poging. Er is echter één instituut waarvan de studenten haast per definitie de ambitie hebben en de capaciteit bezitten om een tijdschrift te runnen, en dat is natuurlijk Neerlandistiek.

Een stukje ontstaansgeschiedenis. Lang, lang geleden had de studie Neerlandistiek een tijdschrift, dat gedurende enkele jaren door een klein groepje studenten werd gerund. Zoals zo vele goedbedoelde initiatieven stierf dit tijdschrift echter een stille dood, nadat het door een uitgever was opgekocht (en vanaf toen technisch gezien geen universiteitsblad meer was) en wat later ter ziele ging, en de zogeheten Zwarte Jaren in de geschiedenis van de Neerlandistiek aan de UvA braken aan. Er gloorde hoop aan de horizon toen een groep enthousiaste studenten omstreeks zomer 2008, het jaar dat, weten we nu, het begin zou markeren van de Renaissaince binnen de Amsterdamse Neerlandistiek, besloot dat het welbeschouwd toch eigenlijk godgeklaagd was dat er geen door Helioten vervaardigd tijdschrift bestond.
Slechts één hardnekkige student uit deze kerngroep volhardde, en bleef jaar na jaar op Algemene Ledenvergaderingen hameren op de plicht van Helios om een tijdschrift te beginnen. Vanaf hier wordt het spannend. Een tweede voorvechter van dit hypothetische concept van een tijdschrift, dat door een toen al legendarische student alvast de naam Absint toebedeeld had gekregen, stond op. Bij Helios werd het ruimhartige aanbod neergelegd om, als Helios de organisatorische kant op zich zou nemen, een redactie te vormen en inhoud te vergaren. Zij bleken roependen in de woestijn. Debatwedstrijden, podiumavonden, gratis ananas voor selecte leden, niets was Helios te gek, maar het tijdschrift bleven wij ontberen.
Pas toen zich in de glorieuze zomer van 2010 meer enthousiastelingen meldden die bereid waren de kar, nee, de praalwagen die dit tijdschrift moest worden te trekken werden er dingen in gang gezet. Door Helios? Neen. Door de ijverige studenten Y., J. en E., want zij waren twee van de voornoemde drie legendarische studenten die de afdeling Neerlandistiek van de ondergang zouden redden. De eerstejaars S. voegde zich bij hen, een teken dat de op handen zijnde Renaissance ook de jongste telgen van de Amsterdamse neerlandici met haar vuur een gratie had aangeraakt. Door Heliosarchieven en Amsterdamse kroegen startten zij een zoektocht naar die mythische oorspronkelijke voorvechter van Absint, een van de laatste overgebleven studenten uit die beroemde generatie de als naamgever van Absint de geschiedenisboeken in ging. Hij was inmiddels een nestor binnen de vereniging, nog altijd student, maar waar? Het was achter een stapel middeleeuwse getijdenboeken en oorkondes op de afdeling Bijzondere Collecties aan de Oude Turfmarkt (of bij Café de Barones, dat is in de kronieken ambigu overgeleverd) dat Y., J. E. en S. uiteindelijk vonden wie zij zochten: D., legende, oerhelioot en stamvader van de idee Absint.
Maar er gebeurde meer. Het gezelschap formeerde een redactie, een mengeling van oudgediende ijvervreters en frisdenkende nieuwkomers binnen het studentenaanbod, en op een mooie dag in 2011 was het eindelijk zo ver: in Club Oostzee, waar toentertijd de Amsterdamse underground avant-garde zich ophield en schimmige feesten organiseerde, werd het eerste nummer van Absint gepresenteerd. De recensies in de pers waren lovend, op de avond zelf vloeide de drank absint rijkelijk, en zowel het blad als de groene suikerspinnen vonden gretig aftrek. Een tweede nummer volgde niet lang daarna. De banden met Helios werden aangehaald, huilend vielen bestuur en redactie elkaar als broeders in de armen. De redactie werd uitgebreid, de organisatie achter Absint professionaliseerde in rap tempo, en al gauw was Absint niet meer weg te denken uit het tijdschriftenaanbod van de UvA in het algemeen, en uit de dagelijkse praktijk op het departement Neerlandistiek in het bijzonder.
Heden ten dage bestaat dit legendarische tijdschrift, met zijn lange, rijke historie, nog steeds. Bekende schrijvers en dichters als Menno Wigman, Atte Jongstra, Olaf Schümaker, Remco Campert, Ingmar Heytze, Hagar Peeters en Wim Brands leverden in het verleden bijdragen voor dit blad. Lezers zagen een heel andere kant van hun docenten: Marjolein Hogenbirk, Joeroen Jansen, Jan Rock en Gaston Franssen verdiepten zich ooit in de Nederlandse hiphopcultuur, Marita Mathijsen prees de lof van de moderne student, Thomas Vaessens gaf zijn mening over fanfare. De redactie van Absint toog er op uit om de meest uiteenlopende mensen te interviewen, van Wim Jansen tot Lucky Fonz III en van Frans van Eemeren tot Gert Vlok Nel.
Ondanks de in de loop der jaren verworven status en de niet aflatende bereidheid tot medewerking van de bloem der Neerlandistische wetenschap en Bekende Nederlanders van divers allooi is Absint echter ook aldoor een podium gebleven voor studenten Nederlands aan de UvA. Eenieder die de ambitie heeft proza of poëzie te schrijven, graag interviews, columns, reportages of recensies maakt kan bij het immer luisterend oor van redactie@tijdschriftabsint.nl terecht met zelfgeschreven stukken, suggesties en ideeën, en elke twee maanden kijken studenten, docenten en medewerkers van Neerlandistiek reikhalzend uit naar die dag waarop ze weer in versgedrukte, naar nieuw papier geurende stapels op het secretariaat (PCH 401) te vinden zijn: de exemplaren van weer een nieuwe Absint. Dan gonst het door de gangen. Studenten kloppen hun werkgroepdocent op de schouder vanwege het heldere, geëngageerde artikel dat hij of zij in Absint schreef. In de kantine wordt er geroddeld: wie is die ‘onzekere schorpioen’ wiens vraag over haar ontluikende seksualiteit werd behandeld in de rubriek ‘Lieve Olaf’? Wat is het antwoord op de kruiswoordpuzzel, en wie heeft er dit keer een fles Absint gewonnen met de puzzel uit het vorige nummer?
Dus de volgende keer dat u, waarde lezer, nietsvermoedend het secretariaat binnen wandelt, kijk dan even op de balie of u een uitnodigend tijdschrift ziet liggen. Dat zou zomaar Absint kunnen zijn. Hoofdredacteuren Stephanie Heijtel en Lisa van Campenhout en hun teerbeminde, kundige redactie bestaande uit Douwe Brouwer, Ezra Hakze, Sybren Spit, Claudia Zeller en Jolanda van de Beld nodigen u uit: neem het mee, het is gratis. Want Absint is voor iedereen.

Sinds de glorieuze beginjaren van Absint, is er alweer enige tijd verstreken. Met hoofdredactrices Lisa van Campenhout en Stephanie Heijtel werd ook de volgende reeks van Absintuitgaves een succesverhaal. Als tweede hoofdredactie stortten zij zich vol enthousiasme op de voortzetting van het tijdschrift met een nieuwe generatie redacteuren onder hun hoede.

Ondertussen heeft Lisa de redactie reeds vaarwel gezegd en zullen we binnenkort jammer genoeg ook afscheid moeten nemen van Stephanie. Floortje Grooten en ik (Mira Sys) zullen die functies van hen overnemen. Daarnaast hebben ook andere gevestigde redactieleden ons verlaten, maar daar tegenover staat een hele lichting nieuwe creatievelingen. Ook bij Helios stonden nieuwe generaties enthousiastelingen op. De banden tussen Absint en Helios zijn beter dan ooit, en broederlijk gaan de leden met elkaar om. Samen organiseren zij gezellige evenementen, zoals Absinterklaas.
Ondanks alle wisselingen, blijft de geest van Absint steeds bestaan in eenieder die zich voor het tijdschrift inzet. Absint is voor iedereen.

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 5 maart 2012, 00:31

tags: , ,

reageren