Nostalgie

Imre van Son / doorgeefcolumn

Toen ik zo-even door mijn kamer aan het ijsberen was, zag ik plotseling op een van de onderste planken van mijn boekenkast Literair mechaniek staan, ingeklemd tussen Taal en Taalwetenschap en Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Mijn boekenkast zit erg vol, dus het kostte me enige moeite om het boek uit zijn benarde positie te bevrijden.

Nu ligt het voor me op tafel. Terwijl ik wat stof van de groene kaft veeg, bekruipt me een gevoel van nostalgie. Op de achterkant lees ik dat Literair mechaniek ‘bedoeld is voor letterkundestudenten die zich de analyse en de interpretatie van literaire teksten eigen willen maken’. Ik sla het boek open en stuit op termen als ‘amfibrachus’, ‘horizontaal woordspel’ en ‘binnenrijm’. Het gevoel van nostalgie wordt sterker.

Het is niet zonder reden dat mijn uitgave van Literair mechaniek bedekt is met een laag stof. Het woord ‘amfibrachus’ kom ik nu eenmaal niet zo vaak meer tegen in mijn studie (en dat is een understatement). Tegenwoordig word ik geconfronteerd met ‘post-postmodernisme’, ‘cultural mobility’ en ‘ethnicity’, geen concepten die je in eerste instantie met ‘de analyse en interpretatie van literaire teksten’ zou associëren.

Het lijkt erop dat het not done is om je in het huidige literatuuronderzoek bezig te houden met de analyse van een roman, of – nog erger – de interpretatie van een gedicht. Althans, er worden wel zaken geanalyseerd en geïnterpreteerd, maar niet op het niveau van rijmschema’s of stijlfiguren. Sinds de zogenaamde ‘cultural turn gaat het erom hoe een roman of gedicht functioneert binnen een bepaalde culturele en institutionele context, of binnen een bepaald discours. In navolging van de bètawetenschappen wordt er gezocht naar ‘harde feiten’, constateringen die kwantificeerbaar zijn.

Ooit heb ik een werkstuk ingeleverd waarvan de onderzoeksvraag luidde: ‘op welke manier speelt het oedipuscomplex een rol in het verhaal “Een ontvoogding” van W.F. Hermans?’ Toen kwam ik daar blijkbaar mee weg, maar in de Onderzoeksmaster Nederlandse Letterkunde zou zo’n vraag slecht vallen. Nu zou ik mijn toevlucht moeten nemen tot een vraag als: ‘hoe positioneert Hermans zich als publieke intellectueel binnen het linkse discours van de jaren zestig?’ Of iets dergelijks.

Dat Literair mechaniek nostalgische gevoelens bij me losmaakt, wil overigens niet zeggen dat ik pleit voor een terugkeer naar de tekstgerichte benadering van het New Criticism. Nostalgie mag geen reden zijn om een paradigmawisseling binnen de Neerlandistiek ongedaan te willen maken. Vergelijk het met de serie Mad Men. Dat we genieten van Don Draper, betekent niet dat de tijden van sigarettenrook en overmatig whiskygebruik zouden moeten herleven.

Toch?

Ik zet Literair mechaniek snel terug in de kast en ga verder met ijsberen.

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 13 maart 2013, 17:48

tags: , ,

reageren


Printen

Elko Born/ doorgeefcolumn

Thuis heb ik een printer, maar mijn inktcartridges zijn altijd leeg. Daarom ga ik zelfs op collegevrije dagen wel eens naar het P.C. Hoofthuis. Dat papierwerk dat er tijdens zo’n studie doorheen gaat, dat is geen sinecure.


Soms ga ik dan ook nog even voor de deur staan, koffie drinken. Gezellig, denk ik dan, ook al kom ik nooit iemand tegen. 


Laatst stond ik daar in mijn eentje toen er een meisje op me af stapte. ‘Wil jij een socialisme-krant?’, vroeg ze. 


Ik zei: ‘Ik heb niets met het socialisme, ik ben anarchist.’


Ik zei maar wat.


‘Nou,’ zei het meisje, ‘dat komt mooi uit. Anarchisme heeft veel gemeen met het socialisme.’


Ik snapte niet wat geen overheid gemeen had met veel overheid. Ik zei: ‘Ik wil het er niet over hebben.’ Toen keek ik naar de grond.


Sommigen komen van de universiteit met een droom en intellectuele bagage. Anderen met een gebroken geest en een hoop schulden. Combinaties kom je ook wel eens tegen, maar dergelijke gevallen komen vaak pas later aan het licht.


‘Nou zeg,’ zei het meisje, en toen tegen een andere socialist: ‘Wat ik net had…dat kon echt niet.’


Als idealist wil je natuurlijk geen blauwtje lopen.


In de bibliotheek mocht ik geen cola drinken. Toen ik weer naar buiten liep, stond het meisje met een groepje andere studenten te discussiëren. Eén van die studenten zei: ‘Ik vind, dat als je ergens hard voor hebt gewerkt, dat je dan best meer geld mag verdienen,’ en even later: ‘Die mensen die veel verdienen, die zullen ook wel veel diploma’s hebben.’


Wat de geschiedenis al bewezen had, werd voor het P.C. Hoofthuis nog eens geverifieerd: de klassenstrijd is te hoog gegrepen.


De vijanden van de universiteit heten niet Rutte of Wilders. Ze heten Tim, Lisa, Jantje, Pietje. Tijdens het plassen staan ze naast u. Op de derde verdieping van het P.C. Hoofthuis bestellen ze tosti’s. Ze zijn overal. Willen we van ze winnen, dan moeten we dat bildungsideaal maar overboord gooien.


Naar het P.C. Hoofthuis komen om college te volgen of om te printen. Verder met niemand praten. 


Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 19 november 2012, 22:12

tags: , ,

reageren