Profiel: Gert Vlok Nel

Lisa van Campenhout / Absint 3

In september en oktober 2011 verbleef de Zuid-Afrikaanse auteur Gert Vlok Nel als artist in residence in Nijmegen. In Absint een portret van deze bijzondere dichter en muzikant.

Zonder een goed geoliede PR-machine ben je als schrijver tegenwoordig verloren. Om eruit te springen in de literaire wereld dien je te provoceren in De Wereld Draait Door, Facebook-pagina’s op te richten voor je hoofdpersonages of je gedichten in felle kleurtjes op een welbezocht kruispunt te projecteren. Niets van dit alles voor dichter en muzikant Gert Vlok Nel. Waar de meeste schrijvers continu bezig zijn om zichzelf in de schijnwerpers te krijgen, lijkt hij hier niets voor te doen. Hij werkt maar zeer zelden mee aan interviews en heeft zelfs geen website waar informatie over zijn werk te vinden is. Ondanks dit alles en ondanks het feit dat hij sinds 1993 maar één dichtbundel en één album uitbracht, heeft hij in zowel Zuid-Afrika als Nederland een trouwe schare fans.

De in 2006 verschenen documentaire Beautiful in Beaufort-Wes bevestigt het beeld van Gert Vlok Nel als mediaschuwe, bescheiden man. In deze bijna een uur durende documentaire zie je hem slechts momenten voorbij komen. Hij leest een gedicht voor of speelt op zijn gitaar. Geen enkele keer vertelt hij iets in de camera, zoals de andere personen die in beeld komen doen. Wel komen zijn vader en andere dorpsgenoten aan het woord. Zij vertellen over het vaak harde leven in Zuid-Afrika. Alleen meneer Nel praat over zijn zoon. Hij vertelt hoe hij al voordat hij naar de kleuterschool ging zangtalent bleek te hebben. Gert is verlegen, is zijn vaders verklaring voor het feit dat Gert Vlok Nel weinig behoefte heeft aan publiciteit. Hij treedt liever niet op de voorgrond – iets wat hij volgens de oude man best wel wat vaker zou mogen doen.

Gert Vlok Nel is geboren in 1963 in Beaufort-West, een plattelandsdorp dat midden in de Karoo-woestijn in Zuid-Afrika ligt. In deze streek wonen voornamelijk arme, blanke arbeiders. Zuid-Afrika, het land waar de Apartheid tot 1990 een feit was, speelt een belangrijke rol in zijn werk. Gert Vlok Nel verwijst zelden direct naar de rassenproblemen die hij ongetwijfeld heeft meegekregen of naar de politieke situatie in het land. In plaats daarvan staat zijn jeugd centraal. Het armoedige arbeidersbestaan in het dorre en droge landschap van dit deel van Zuid-Afrika is voelbaar. In een decor van bergen, woestijn en spoorwegen vertelt hij over zijn familie, verloren liefdes en het leven in een dorp. Veel gedichten zijn anekdotisch geschreven vanuit het perspectief van een kind:

Moenie so vloek nie het Ma gesê, ‘oom Jakkie
Is oom Jakkie.’ en Pa was Pa. ‘Pa is ons pa, Ma,’
het ons gesê, dalk. oom Jakkie is my broer (Ma).
‘maar Pa is jou man, Ma.’ ja.
Ma was so oud, afgeskei. So 40.
‘die berg brand, het julle gesien?’ ja Ma.
de buistenste verband, het ek dit gesien‘nee,’ skryf ek.

(‘de positie aan het einde van’. Uit: Om te lewe is onnatuurlik)

In 1993 verschijnt zijn eerste en enige dichtbundel, Om te lewe is onnatuurlik. Deze bundel is in Zuid-Afrika direct een groot succes en wordt bekroond met de Ingrid Jonker-prijs. Dit komt niet in de laatste plaats omdat hij iets nieuws biedt: een blanke dichter die niet uit de rijkere middenklasse komt, maar uit de arbeidersklasse. Daarnaast baart hij opzien met zijn stijl. In plaats van correcte Afrikaanse taal maakt hij gebruik van een soort telegramstijl, met consequente afkortingen en tekens als & en )). De invloed van Gert Vlok Nel is in Zuid-Afrika zo groot geweest, dat de generatie dichters die na hem kwam veel van deze stijl heeft overgenomen.

Ook in Nederland blijft de bundel niet onopgemerkt. Gerrit Komrij neemt in 1999 maar liefst acht gedichten van Gert Vlok Nel op in zijn bloemlezing De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten. In 2007, een jaar nadat de documentaire over Gert Vlok Nel door de VPRO wordt uitgezonden, verschijnt er in Nederland een editie van Om te lewe is onnatuurlik met de Nederlandse vertaling naast de oorspronkelijke tekst en enkele annotaties die plaatsen en gebeurtenissen verklaren.

In deze jaren groeit zijn populariteit in Nederland en treedt hij meerdere keren op in zalen als de Melkweg en Paradiso. Want naast dichter is Gert Vlok Nel voornamelijk muzikant. Zijn eerste en tot nu toe nog enige album Beaufort Wes Se Beautiful Woorde verscheen inmiddels al weer dertien jaar geleden, maar heeft voor de liefhebbers nog niets aan waarde afgedaan. De muziek van Gert Vlok Nel is rustig en ingetogen en hij zingt in hetzelfde poëtische Afrikaans als zijn gedichten :

En jy was beautiful in Beaufort-Wes
en ek was so verskrik en verskriklik lief vir jou
en jy het op grafte en op treine
en op Ford Fairlaine se agterseats gevry
en nou is jy en jou man both computer analysts
en laas winter you tried to slit your wrists
en nou kan jy nie meer slaap nie

(‘Beautiful In Beaufort-Wes’. In: Beaufort Wes Se Beautiful Woorde)

In september en oktober van dit jaar verbleef Gert Vlok Nel als artist in residence in Nijmegen. Hij is hiermee de tweede gast van dit project, dat in leven is geroepen om de kunst en cultuur in Nijmegen te promoten. Zijn verblijf werd georganiseerd door Literair Productiehuis Wintertuin, een bedrijf dat kruisingen maakt tussen literatuur en andere kunstdisciplines – in het geval van Gert Vlok Nel zijn dat zijn gedichten en muziek. Bovendien heeft hij in het Besiendershuis, het pand in Nijmegen waar hij verbleef, een aantal tekeningen van Nijmegen gemaakt die ter plaatse zijn geëxposeerd. Daarnaast houdt hij zich voornamelijk bezig met het schrijven van poëzie en het opnemen van zijn tweede album. En ook niet onbelangrijk: nu hij weer in Nederland is, doet hij zijn Hollandse fans de eer aan om op te treden op poëzie-events.

Zo ook op iPoetryLive, een initiatief van Het Poëziecircus, de Utrechtse stichting die onder meer het Nederlands kampioenschap Poetry Slam organiseert. Op deze avond treden er verscheidende bekende en minder bekende dichters op. Gert Vlok Nel speelt enkele nummers, enkel geflankeerd door Schalk Joubert met zijn vijfsnarige basgitaar. Zelf speelt hij op gitaar en mondharmonica. De muzikanten hebben hun jas al aan. Komt het door de kou in de zaal, of hebben ze zoveel haast om na het spelen direct te kunnen roken? Gert Vlok Nels vriendin Tanja Erasmus zorgt ervoor dat de juiste Nederlandse vertalingen op een scherm worden geprojecteerd – voor wie niet bekend is met het Afrikaans is er namelijk weinig te begrijpen van wat hij zingt. Het ene moment lijkt het Nederlands, dan weer Engels, vervolgens een kruising en dan weer niets van dit alles. Het hindert niet. Ook al blokkeert de lange persoon voor je het zicht op de vertaling, het Afrikaans klinkt mysterieus genoeg om er van te kunnen genieten.

Na het optreden lijkt Gert Vlok Nel allesbehalve verlegen, in tegenstelling tot wat je zou verwachten op basis van zijn imago. Met een groep vrienden en kennissen – een mix van Afrikaners, Nederlanders en Engelsen – praat hij voluit, in een taal die afwisselend Nederlands en Engels lijkt te zijn. Verlegen, mediaschuw? Je zou het niet geloven, zo ontspannen als hij praat over bekende voetballers en naamsveranderingen, ondertussen het ene sjekkie na het andere rollend.
Hij is bijna klaar met het opnemen van zijn tweede album. Dat wordt ook wel tijd, vertelt een vriend van hem. Hij speelt nu al zo lang dezelfde nummers. Niet dat het opvalt – waar andere artiesten gek worden dat hun eerste hit keer op keer gehoord moet worden, lijkt Gert Vlok Nel er geen moeite mee te hebben zijn repertoire te herhalen.

Een week later treedt Gert Vlok Nel weer op tijdens een voor hem georganiseerde tribute night. Op deze avond dragen verschillende dichters werk van en over hem op voordat hij zelf het podium betreedt. Het is zijn laatste performance voor hij weer naar Zuid-Afrika vertrekt.
De avond is vol met lof over Gert Vlok Nel, zowel over zijn persoon als zijn werk. Opvallend is dat ook hier wordt verwezen naar zijn schuwheid. Zo vertelt de burgemeester van Nijmegen dat Vlok Nel weliswaar ontzettend vriendelijk is, maar ook de moeilijkste te interviewen man is die hij ooit heeft ontmoet.

Maar kan hij ervan leven, met slechts zo weinig uitgebrachte bundels of albums en geen mediaoptredens? In een loopbaan van bijna twintig jaar heeft hij één bundel en één album uitgebracht. De meeste artiesten zouden hier niet mee weg komen. Kennelijk lukt het Gert Vlok Nel wel, al is hij er nooit rijk van geworden. Onder muzikanten en dichters in Zuid-Afrika wordt hij zeer gewaardeerd, maar commercieel succes heeft hij nooit gehad. Integendeel: het hierboven al aangehaalde ‘Beautiful in Beaufort-Wes’ werd, zonder Gert Vlok Nels toestemming, gecoverd door een popzanger die er een grote hit mee scoorde. Van de opbrengsten heeft Vlok Nel nooit een cent gezien.
Het blijft frappant dat hij met zo weinig middelen zoveel trouwe fans heeft. Hij heeft een bijzondere positie in de Afrikaanse literatuur omdat hij een niche vormt, in Nederland lijkt het vooral de documentaire van Walter Stokman te zijn die zijn succes heeft veroorzaakt. Ze zeggen altijd dat succes in de literaire of muzikale wereld meer een kwestie is van marketingstrategieën en een beetje geluk dan van talent. Kennelijk heeft Gert Vlok Nel genoeg aan de laatste twee ingrediënten.

Gert Vlok Nel, Het is onnatuurlijk om te leven. Gedichten. Uitgeverij Podium, 2007.

Gert Vlok Nel, Beaufort Wes Se Beautiful Woorde. Label:

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 25 april 2012, 15:20

tags: , , , ,

reageren


Utrecht voor dichters

Daan Doesborgh / Absint 2

“Waar hebben we eigenlijk afgesproken?”, vraag ik mijn reisgezel op deze woensdagochtend. “Onder het grote bord op Utrecht Centraal” luidt het antwoord, en ik verheug me op de aanblik van Ingmar Heytze, gevorderd Utrechter, auteur van onder andere de bundels Utrecht voor beginners en Utrecht voor gevorderden, gewezen stadsdichter van Utrecht bovendien, die ietwat verloren ogend onder het bord met reisinformatie staat te wachten. Ik had beter moeten weten. Ingmar staat als een pro een eindje bij het bord vandaan en wijst ons op het mooiste fotomoment dat we ons hadden kunnen wensen. Voor het bord staat Awater, hoed op, koffer bij zijn been. We leggen hem vast en gaan op weg. De hal wordt door voorbijgangers doorstroomd. We betreden Hoog-Catharijne, een gebouw dat je bijna verplicht bent te haten, maar in Heytzes woorden deze ochtend lijkt die afkeer verborgen te blijven. “Dit winkelcentrum is eigenlijk net zoiets als ‘Awater’, je loopt hier ook altijd achter iemand aan. Ik denk overigens dat Nijhoff Hoog-Catharijne echt te gek had gevonden, en hier een flatje zou hebben gekocht. Hij zat graag in de bedrijvigheid van de stad.”

De Awaterwandeling zoals die beschreven is door Niels Bokhove in het boek Awaters spoor begint pas als we het winkelcentrum uit zijn, dus we maken van de gelegenheid gebruik om het over het gedicht zelf te hebben. “Als een gedicht langer wordt dan een pagina of vier vind ik het heel snel gezeur worden. Bij ‘Het Uur U’ heb ik dat bijvoorbeeld. Het is literair gezeur, maar wel gezeur. Bij ‘Awater’ ligt dat anders. Ik herlas het op weg hiernaartoe en het viel me op hoeveel uitspraken uit ‘Awater’ onze taal binnengedrongen zijn. ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ natuurlijk, en ‘Ik zoek een reisgenoot’ of ‘zij vertrekt op het voorgeschreven uur’. Ik wist het al niet meer, maar dat komt allemaal uit ‘Awater’. En dat terwijl het eigenlijk gaat over het achtervolgen van een man die een restaurant binnengaat, een lied zingt en weer vertrekt. Voor het verhaal hoef je het niet te lezen.”

We verruilen het winkelcentrum voor Vredenburg. De straten zijn met asfalt geplaveid. Ik merk dat de echo, die ons uitgeleide deed door de hall met tegels, buiten zwijgt. Ingmar Heytze benadrukt hoezeer Utrecht een stad is met een literaire historie. “Er zijn bepaalde perioden uit de geschiedenis waar je als Utrechter haast automatisch respect voor hebt, dat is er echt ingeramd. Het interbellum is er daar een van. Het is heel bijzonder dat al die kunstenaars hier bijeenkwamen. Ze zijn niet allemaal actueel meer, Jan Engelman bijvoorbeeld is behoorlijk achterhaald, maar Nijhoff heeft zijn sporen ook nagelaten in de hedendaagse poëzie. Er loopt als je het mij vraagt een duidelijke lijn van Nijhoff naar bijvoorbeeld Menno Wigman, maar ook naar iemand als Gerrit Komrij.”

Over de Oudegracht lopen we verder. Het boekje waar de Awaterwandeling zo braaf in beschreven staat geldt, net als stoplichten (“Stoplichten zijn maar een advies. Een goedbedoeld advies, maar wel een advies”) als een vage richtlijn. Via het Nijntje-pleintje en de sluizen waar ooit Bloem en later ook Heytze zo melancholisch van werden (“Als je daar zo staat en je kijkt naar beneden denk je toch wel bij jezelf: tsja, vanitas.”) lopen we naar de Plompetorengracht. Anders dan bijvoorbeeld het gebied rond Vredenburg is Utrecht hier weinig veranderd sinds Nijhoff hier rondliep. “Met zo’n boekje in je hand kijk je door de ogen van de dichter. Als je wilt, lopen al die schimmen met je mee. Als je er over nadenkt is het eigenlijk een tegennatuurlijke beweging die we hier maken. Een dichter probeert in zijn poëzie zijn omgeving te ontstijgen, en wij proberen jaren later om middels die poëzie Nijhoffs omgeving te reconstrueren.”

Aan de overkant van waar Nijhoff in zijn jonge jaren Nederlands studeerde en college had van onder meer De Vooys, drinken we koffie en praten over de waarde van een wandeling als dit. Sommige plekken uit de wandeling zijn door Nijhoff bevestigd of aangevoerd als plekken die model stonden voor ‘Awater’, andere zijn gebaseerd op gissingen. Het blijft natuurlijk nattevingerwerk in hoeverre deze wandeling de wandeling van de ‘ik’, die natuurlijk nooit daadwerkelijk gelopen is, weerspiegelt. Toch denkt Heytze dat ‘Awater’ op veel plekken wel degelijk naar bestaande plekken in Utrecht te herleiden is. “Ik zou het zelf ook doen, zo’n gedicht baseren op de plekken waar je vaak komt. Daar hoef je niet zo veel meer aan te verzinnen. Ik heb wel eens overwogen om te proberen een soort Dan Brown-achtige detective over Utrecht te schrijven waarin allerlei echt bestaande plekken voorbij komen, maar ach. Het leven is te kort.” Als we een garage passeren loopt een grote zwarte hond een eindje mee op. Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon dat men eerst ziet of men bij hem kan horen. “Soms heb je voor even een hond”, verzucht Ingmar Heytze, en we lopen door.

Iets braver het boekje volgend bekijken we enkele plekken waar Nijhoff ooit gewoond moet hebben om dan het boekje weer de rug toe te keren en richting de Singel te lopen (“Zo’n wandeling zou ook eigenlijk niet langer moeten duren dan het duurt om dat gedicht een keer of vijf te lezen.”). De nette straten worden zandpaadjes langs het water en tussen de bomen, en het gereconstrueerde Utrecht van Nijhoff wordt het hedendaagse Utrecht van Ingmar Heytze. “Ik kan maar moeilijk uitdrukken hoe dierbaar dit stuk Utrecht voor me is. Dit is echt mijn Utrecht.” Een vrouw knoopt een grote bos ballonnen aan een parkbankje op Lepelenburg en gaat er weer vandoor. Ingmar stelt voor naar de botanische tuin te gaan, daar ligt een plaquette ter ere van Nijhoffs ‘Het kind en ik’. “En het is ook een erg mooie tuin.” Ondertussen horen we legio anekdotes over Utrecht, over de beeldhouwer Joop Hekman wiens dove, stokoude Chow Chow zo geliefd was dat men een standbeeld voor hem op heeft laten richten. Over de problematiek van een dove hond uitlaten, want toen Hekman op vakantie ging werd Heytze gevraagd op het dier te passen. “Zijn kruissnelheid was ongeveer de helft van de onze, dus hij kon nooit ver zijn, maar je bent zo gewend een hond te roepen. Dan stond hij weer ergens naar een lantaarnpaal te kijken. Na een tijdje viel hij om. In slaap gevallen.”

De botanische tuin bij het Universiteitsmuseum is inderdaad een aanrader. De tuin was ooit overwoekerd, en men wilde er een parkeerplaats van maken. Een groep buurtbewoners heeft de boel toen opgeknapt en de tuin van de ondergang gered. Ook Heytzes moeder heeft hier als vrijwilliger gewerkt, en als kind aan huis leidt Ingmar ons dan ook door de kassen en perken. “In de botanische tuin op de Uithof hebben ze een vlinderkas. Daar werkt een vlinderopzichter, die over de hele wereld poppen verzamelt die ze dan in die kas uit laten komen. Sinds ik dat gehoord heb, vind ik vlinderopzichter het meest poëtische beroep dat ik ken.”

Na de tuin is het tijd toch weer even terug te keren naar het Utrecht uit ‘Awater’. De straat wordt breder. Uit de bomen druipt dauw. Recht voor ons ligt het stationsgebouw. We lopen richting het Spoorwegmuseum, het station waar de ‘ik’ zijn wandeling eindigt door op de trein te stappen. “Toen Nijhoff ‘Awater’ schreef in 1934 was Utrecht nog niet fout, maar wel hard op weg het te worden. Een paar jaar later zat de Maliebaan hier vol met de hoofdkwartieren van de NSB en de SS. Vlak na ‘Awater’ is het juk van die oorlog over Utrecht gedaald, en in dat gedicht voel je dat aankomen. In Nijhoffs tijd hing hier echt de oorlog in de lucht. Je voelt dat heel sterk in zijn poëzie, niet alleen ‘Awater’ maar bijvoorbeeld ook ‘Het Uur U’, dat gevoel dat er iets aan komt, dat er iets staat te gebeuren.”

Het gedicht is afgelopen. De Oriënt Express, die in werkelijkheid nooit uit Utrecht is vertrokken, zien we langzaam wegbewegen van het perron. Zij zingt, zij tilt een knie, door stoom omstuwd, en wij lopen door naar de laatste stop op onze wandeling. Een roze geverfd huis aan de Oude Gracht. Een plaquette op de muur herhaalt wat Ingmar Heytze ons al had verteld: hier woonde Nijhoff met onder meer Pyke Koch en Jan Engelman en, voor deze wandeling interessant: hier schreef hij Awater. We zijn aangekomen op de plek waar het allemaal begonnen is, de enige plek in Utrecht waar de wandeling die we deze ochtend na hebben proberen te bootsen daadwerkelijk gelopen is.

Ingmar leidt ons via volksbuurt de Zeven Steegjes terug naar het station. Onderweg gaat zijn telefoon.
“Ah, mijn prachtige jonge vriendin.
Ja heel erg.
Over een kwartier.
Over tien minuten.
Over vijf minuten.
Oké ik pak nu mijn fiets en ik kom naar de rechtbank.”
Ongeruste lezers kan ik geruststellen. De Rechtbank is een hotel in Utrecht met een zeer comfortabel terras. Een en ander werd ook door de rest van het telefoontje duidelijk: “Bestel maar vast iets kouds voor me.”
Aangekomen bij het station namen we afscheid van Ingmar Heytze, gevorderd Utrechter, stadsgids, reisgenoot. Onze trein vertrok op het voorgeschreven uur, maar niet voordat Ingmar nog met een goed idee kon komen: “Volgende keer de Theo Thijssenwandeling?”

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 25 april 2012, 14:48

tags: , , ,

reageren


Prof. dr. Ir. Wim Jansen, bijzonder hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto

Ava Creemers / Absint 4

1970: Afgestudeerd in de Lucht- en Ruimtevaarttechniek (Delft)
1989: Afgestudeerd in de Vergelijkende Taalwetenschap met als specialisatie het Baskisch (Leiden)
2008: Aanstelling Bijzonder Hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto (Amsterdam)
Jansen geeft de Open UvA colleges Interlinguïstiek en Esperanto.

Donderdagmiddag, café Ovidius op de Spuistraat. Dit is de plek waar Wim Jansen zijn toevlucht zoekt wanneer hij niet in het PC Hoofthuis hoeft te zijn, dat hij een ‘ongezellige bunker’ noemt. Hij wacht ons op aan een tafeltje, met op de achtergrond de grijze contouren van PCH. Jansen heeft een bijzondere carrière achter de rug. In 1970 studeerde hij af in de Lucht- en Ruimtevaarttechniek aan de TU-Delft. Later is hij Comparatieve Taalwetenschap gaan studeren in Leiden en afgestudeerd met als specialisatie het Baskisch. Momenteel bekleedt hij de functie van Bijzonder Hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto aan de UvA.

Jansen bestelt koffie en antwoordt bedachtzaam als ik hem vraag naar zijn keuze om Lucht- en Ruimtevaarttechniek te gaan studeren. ‘De wereld zat anders in elkaar dan nu. Als je op de leeftijd van twaalf of dertien een studierichting moest kiezen, dan was het advies van de ouders en de school het belangrijkst. Als je vader zei: ‘Neem die richting, want daar kun je goed geld in verdienen’, dan deed je dat. De generatie van mijn ouders is de generatie van de Tweede Wereldoorlog, de generatie van de grote crisis, van de mensen die niets hadden. Zij maakten zich ontzettend zorgen om hun kinderen. Dan lag het niet voor de hand om je kind een alfa-studie te laten doen, met weinig beroepsmogelijkheden. Het land was in wederopbouw en overal was techniek nodig. En ik was gek op wiskunde, nog steeds.’

Jansen geeft aan dat zijn passie voor taal even groot is als zijn passie voor de exacte vakken. Dat blijkt ook uit het feit dat hij zichzelf op twaalfjarige leeftijd het Esperanto heeft geleerd. ‘Mijn vader had zich vooral de eerste tien jaar na de Tweede Wereldoorlog actief met het Esperanto beziggehouden, vanuit een ideële doelstelling. Hij had een aantal boeken in zijn kast staan, geschreven in het Esperanto. Die kon ik niet lezen, en dat was uiterst irritant. De enige manier om daar overheen te komen was om die taal te leren.’ En zo geschiedde. In één zomervakantie leerde Jansen zichzelf aan de hand van de oude boeken van zijn vader de complete grammaticale structuur en basiswoordenschat van het Esperanto aan.

Het Esperanto (1887) is een kunsttaal ontworpen door L. Zamenhof. Het moest een eenvoudig te leren taal zijn, om de internationale communicatie te vergemakkelijken. Deze taal moest dus naast de moedertaal komen te staan, in plaats van deze te vervangen. Het idee was dat één taal voor iedereen bij zou dragen aan de verbroedering van de samenleving. Omdat het Esperanto een taal zonder onregelmatigheden is, valt het in relatief korte tijd te leren.

Waar kwam u te werken na uw studie Lucht- en Ruimtevaarttechniek?
‘Ik ben na mijn studie terecht gekomen in een tak van de onbemande ruimtevaart. Ik heb daar projecten geleid waar apparatuur ontwikkeld moest worden om biologische en biomedische experimenten te doen aan boord van Russische onbemande satellieten. Ik hield me bezig met het terrein van de gewichtloosheid. Zwaartekracht is voor alles op aarde een factor waar je niet om heen kunt: aan koude of warmte kan je iets doen, maar de zwaartekracht zal er altijd zijn. Wij ontwikkelden de apparatuur voor de experimenten rondom gewichtloosheid, en bouwden het in de satellieten in. Die satellieten werden gelanceerd door de Russen, twee weken later kwamen ze weer terug en konden wij de apparatuur uitladen en in het laboratorium analyseren.’

Een enthousiaste uitweiding over dierexperimenten in de ruimtevaart, André Kuipers, hoofdpijnstoornissen, zwaartekracht, botontkalking van astronauten en de wetenschap volgt. Uiteindelijk valt het woord ‘taalwetenschap’. Terwijl Jansen belangrijk pionierswerk verrichtte in de ruimtevaart, begon hij namelijk aan de studie Vergelijkende Taalwetenschap in Leiden. ‘Vergelijkende Taalwetenschap was een bovenbouwstudie, het eerste jaar moest je een propedeuse in een talige richting doen. Daarna kon je verder gaan in de Vergelijkende Taalwetenschap, dat bestond uit een grote verzameling exotische talen, waaronder het Baskisch.’

Waarom het Baskisch?
‘Met het Baskisch ben ik op een gegeven moment in aanraking gekomen via vrienden en kennissen. Ik vond het een interessante taal: het is de oudste taal van Europa, de enige niet-Indo-Europese taal van Europa en een taal waarvan mensen zeggen dat het een dialect van het Spaans is, terwijl het niets met het Spaans te maken heeft. Ik wilde mezelf testen: het Baskisch is zo hondsmoeilijk. Ik wilde mezelf er professioneel in trainen.’

Jansen studeerde af bij Rudolf de Rijk (een inmiddels overleden ‘grootmeester’ op het gebied van het Baskisch) en publiceerde na zijn studie over het Baskisch. Hij publiceerde onder andere het eerste Baskisch-Nederlandse woordenboek en een elementair leerboek Baskisch voor de Amerikaanse markt. Later bleek het feit dat Jansen twee masters op zak had, en al gepubliceerd had in een talige richting het doorslaggevende argument voor de UvA om hem het bijzonder hoogleraarschap aan te bieden. Jansen voldeed namelijk niet aan de formele eisen toen hij solliciteerde voor de functie: hij was nog niet gepromoveerd. In 2002 werd hij aangenomen als universitair docent Interlinguïstiek en Esperanto, verbonden aan de afdeling Taal- en letterkunde van de UvA. Tegelijkertijd werkte hij aan zijn proefschrift, waarop hij in 2007 promoveerde.

De interlinguïstiek is de wetenschap die zich bezighoudt met tussen- of kunsttalen: door de mens gemaakte internationale verkeerstalen. ‘Het Esperanto is hiervan de bekendste en de enige die is uitgegroeid tot een taal van een wereldwijde gemeenschap die haar eigen literatuur, radioprogramma’s en internetverkeer heeft en in deze taal congressen organiseert.’

Vanwaar die carrièreswitch?
‘Het is misschien een kromme carrière, maar ik heb mijn brood verdiend in de ruimtevaart. Op een gegeven moment werd de geldkraan dichtgedraaid voor de onbemande tak van de ruimtevaart waar ik mij mee bezighield. Ik kreeg de gelegenheid om op goede voorwaarden weg te gaan. Tien jaar lang had ik echt pionierswerk gedaan, een bureaubaan kon ik logischerwijs niet meer accepteren.’ Jansen stopte in de ruimtevaart en bij toeval kwam er enige tijd later de vacature vrij voor de bijzondere leerstoel Interlinguïstiek en Esperanto aan de UvA, omdat Jansens voorganger, Marc van Oostendorp, was gestopt.

Was de overstap van exact naar alfa lastig?
‘Ik heb het grote geluk gehad dat als je bent afgestudeerd in een bètarichting, het relatief makkelijk is om er andere dingen bij te gaan doen. Omgekeerd niet, daar ben ik van overtuigd. Als je afstudeert in een alfa-richting, verander je na tien à twintig jaar niet naar een bètarichting. Andersom wel, dat kom je in de historie geregeld tegen: mensen met een exacte opleiding kunnen relatief makkelijk omschakelen omdat je toch een zekere discipline meekrijgt in de bètarichtingen. Het ruwe, schoolse en strenge werk dat je vijf jaar lang hebt moeten doen op de TU helpt je enorm. Dan is die overstap voor sommigen misschien verbazingwekkend, maar die hoeft niet al te moeilijk te zijn.’

Leerde u het Esperanto ook vanuit een ideële doelstelling, of was het puur uit interesse?
‘Mijn vader had drie en half jaar in Japan gevangen gezeten en kwam als een wrak terug naar Nederland. Hij was totaal gedesillusioneerd en vond in het Esperanto iets moois. Ik daarentegen heb het Esperanto opgepikt uit pure nieuwsgierigheid, zonder dat ik echt wist waar ik mee bezig was als jongentje van twaalf. Later werd ik lid van een jongerenvereniging en werd ik gegrepen door het verenigingsleven, ik voelde me daar thuis. Dat gevoel is verzwakt, het is een wat meer afstandelijke technische belangstelling gebleven.’

Het Esperanto is een taal die sprekers bindt, een taal waardoor mensen zich gegrepen voelen. Dat is een belangrijke reden waarom het Esperanto nog steeds bestaat en waarom andere kunsttalen verdwijnen. Binnen de interlinguïstiek is het Esperanto de enige echte praktische toepassing die nog van zich doet spreken, waardoor het Esperanto steeds als voorbeeld moet worden gebruikt binnen de context van de interlinguïstiek. Het doel van het Esperanto, om een makkelijk te leren, internationale en neutrale (geen nationale taal) kunsttaal te creëren voor de internationale communicatie, lijkt naast een nobel streven daarom ook een rationele gedachte.

Is het Esperanto, net als andere kunsttalen, gevoelig om te verdwijnen?
‘Ik verwacht het wel. Als je naar 125 jaar Esperanto-historie kijkt, dan zie je dat er geen doorbraak is geforceerd. Daar zijn toch vijf generaties mee bezig geweest, en het is er niet van gekomen. Als je naar drie millennia cultuurgeschiedenis kijkt, dan zie je dat het iedere keer per definitie de taal van de sterksten is die wint. Of het nu het Latijn is dat de Romeinen hebben geëxporteerd, of het Frans dat na Lodewijk de 14e door heel Europa is omarmd, of het Engelse Amerikaans… Blijkbaar is de politiek machtiger dan een zuiver rationele argumentatie om voor een bepaald probleem een oplossing te zoeken.’

Maar u pleit nog steeds voor een neutrale taal als het Esperanto?
‘Als wij met sprekers van andere moedertalen moeten praten, moeten we daar een oplossing voor vinden: we leren elkaars taal of maken gebruik van tolken. Het blijkt echter dat in de internationale gemeenschap het leren van elkaars taal altijd beperkt blijft tot het leren van enige sterke talen die overheersen. Maar die ook dusdanig kunnen overheersen, dat die overheersing ten koste gaat van de andere talen. Aanhangers van het Esperanto, en daarmee van de gedachte van een neutrale taal voor iedereen, zijn van gedachte dat er niets op het Engels tegen is, als het Engels het Nederlands met rust zou laten. Maar dat gebeurt niet. Je hebt altijd een scheve situatie: iedereen moet een vreemde taal leren, behalve de Engelsen. Op deze manier bereik je dus nooit gelijkheid. Het Esperanto is juist gecreëerd om het mogelijk te maken die gelijkheid wel te bereiken: door een eenvoudig te leren middel aan te bieden, dat iedereen extra moet leren. Daarnaast is er voor het Esperanto veel minder inspanning nodig dan bij het leren van een andere vreemde taal, zodat er voldoende tijd overblijft om je met je eigen taal bezig te houden en andere vreemde talen te leren. Het Esperanto zet zich niet af tegen vreemde talen, maar wil juist een laagdrempelig middel bieden waarbij iedereen zich goed voelt.’

Iedereen zou Esperanto moeten leren?
‘Ik blijf geloven dat iedereen het Esperanto zou moeten leren, maar dat het gebeurt, dat geloof ik niet meer. Ik vind het Esperanto een mooi product, waar veel mensen gelukkig mee zijn, maar ik geloof niet dat het Esperanto ooit zijn oorspronkelijke missie zal voltooien.’

Waarom heeft u uw kinderen niet als tweede moedertaal het Esperanto geleerd?
‘Mijn kinderen zijn tweetalig opgevoed: Nederlands-Italiaans, omdat hun moeder Italiaans is. Ik heb haar ontmoet op een Esperanto-congres en onderling hebben we een tijd Esperanto gepraat, maar dat is al snel in Italiaans en later in Nederlands veranderd. We hebben het Esperanto nooit aan de kinderen doorgegeven omdat mijn vrouw en ik geen missionarissen zijn. We hoeven het niet op te leggen of op te dringen aan onze kinderen. Het aardige is dat voor mijn kinderen het Esperanto een heel mooi idee is, ze zouden het altijd steunen, ook al spreken ze er geen woord van. Ze hebben er een positieve houding tegenover, maar ik denk dat als ik het ze door de strot geduwd had, ze zich er tegen af waren gaan zetten.’

Als bijzonder hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto geeft Jansen college en doet hij onderzoek. Het idee van de leerstoel is niet om het Esperanto te promoten, maar om te leren van deze taal. Zo kan het Esperanto op het gebied van de learnability van talen (de research focus van het ACLC, het Amsterdam Center for Language and Communication) erg interessant zijn, omdat het Esperanto bedoeld is om ‘learnable’ te zijn. ‘De vraag is: is dat gehaald op alle gebieden van het Esperanto, of zijn er ook onderdelen die mensen moeilijk vinden? En wat kunnen we daarvan leren? Is het daar moeilijk waar de Algemene Taalwetenschap had kunnen voorspellen dat het moeilijk zou zijn? Het is interessant omdat het Esperanto bewust gecreëerd is, met als gevolg dat je vrij makkelijk bepaalde dingen kan onderzoeken. En dat is een taalwetenschappelijk belang dat de UvA dient.’

Het belang van het Esperanto voor de Algemene Taalwetenschap komt duidelijk naar voren in een onderzoek van Jansen op het terrein van de woordsoorten. Jansen laat in het Esperanto een ontwikkeling zien, die een bepaalde theorie in de taalwetenschap ondersteunt: de zogenaamde lexeem-specialisatie [een lexeem is een combinatie van fonemen, morfemen en lettertekens en komt min of meer overeen met wat op lexicaal niveau een woord wordt genoemd – red.] ‘Er zijn talen die het woord ‘kopje’ kunnen gebruiken als zelfstandig naamwoord, als bijvoeglijk naamwoord, als werkwoord en als bijwoord van wijze. Je hebt talen die dit hebben gespecialiseerd: ‘kopje’ is dan alleen een zelfstandig naamwoord, zoals bijvoorbeeld in het Nederlands.’ Jansen heeft in zijn onderzoek aangetoond dat het Esperanto oorspronkelijk een flexibel systeem heeft, maar dat de eerste sprekers hier een systeem van hebben gemaakt dat in zekere zin nog flexibel is, maar dat een subsysteem heeft van lexemen die verbaal en non-verbaal gespecialiseerd zijn. Deze historische ontwikkeling gaat steeds verder, en het is waarschijnlijk dat het Esperanto systeem over honderd jaar helemaal niet meer flexibel is. Binnen de Algemene Taalwetenschap is de hypothese dat als er een specialisatie optreedt in een taal, dit de eerste is die zal optreden. Het Esperanto geeft dus steun aan deze theorie.

We mogen dus concluderen dat een kunsttaal spontaan evolueert, net als etnische talen?
‘Dit onderzoek is inderdaad een teken van spontaan leven: een taal gedraagt zich zoals de sprekers dat willen. Dit kun je echter ook weer doortrekken en daar de Esperantisten mee bang maken: stel je voor dat er 100 miljoen sprekers van het Esperanto zouden zijn, heb je dan nog steeds de illusie dat het één taal zou blijven? Nu is het Esperanto een kleine taal met veertig- tot honderdduizend sprekers met een onaantastbaar fundament [een soort grondwet over het Esperanto – red.] Van deze set regels mag je niet afwijken, je mag er iets aanbouwen, maar je mag het fundament niet wijzigen. Dat is nog te doen binnen zo’n relatief kleine gemeenschap. Op het moment dat je de taal loslaat, en het wordt een euro-taal voor in de eurobureaucratie, dan zie ik dat er iets heel anders gaat gebeuren. Dan gaat zo’n taal waarschijnlijk een eigen leven leiden, met nieuwe varianten. En op die manier ben je misschien weer terug bij af.’

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 24 april 2012, 15:54

tags: , , , ,

reageren


Prof. em. dr. Frans van Eemeren: van ‘zoekende ziel’ tot gerenommeerd professor

Eline de Viet / Absint 1Absint 1

Hij is de grondlegger van de invloedrijke pragma-dialectische benadering van argumentatie en was sinds 1984 hoogleraar aan de UvA. Op 1 april ging Frans van Eemeren met emeritaat. Zijn afscheidscollege vindt plaats op vrijdag 13 mei, om 15.00 uur, in de Lutherse Kerk. Op de dag van het interview treffen we hem aan tussen verhuisdozen vol paperassen. Het vertrek betekent echter nog niet het einde van zijn carrière: ‘Zo lang ik nog fit ben, bij mijn volle verstand en er nog zin in heb zal ik actief blijven binnen mijn vakgebied’.

U heeft Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd aan de UvA. Waarom bent u Nederlands gaan studeren?
‘Mijn studiekeuze heb ik vooral gemaakt omdat ik in Amsterdam wilde studeren. Ik ben opgegroeid in het zuiden van het land en in die tijd was alles nog wat benauwder, provincialer en afgeslotener. Ik wilde naar de grote stad, naar Amsterdam, want daar gebeurde het. Ik wilde leven met een hoofdletter ‘L’! Mijn ouders zagen echter graag dat ik naar de Technische Universiteit in Eindhoven ging, omdat ik goed was in wiskunde. Om toch in Amsterdam te kunnen studeren moest ik dus een studie kiezen die niet in Eindhoven werd aangeboden. De keuze is op Nederlands gevallen omdat ik verwachtte daar meer de diepte in te gaan dan bij een vreemde taal. Ik had ook iets aan de sociale faculteit kunnen gaan studeren, maar voor die vakken had je in tegenstelling tot Nederlands geen gymnasiumdiploma nodig. Ik had net staatsexamen gymnasium gedaan en vond het ook wel weer zonde om dat diploma niet te benutten. Eigenlijk had ik alleen een soort vage, algemene interesse in de Neerlandistiek.’

‘Mijn studiekeuze heb ik vooral gemaakt omdat ik in Amsterdam wilde studeren. Ik wilde leven met een hoofdletter ‘L’!’

Wat voor student was u, eenmaal ‘Levende’ in Amsterdam?
‘Ik was geen ijverige student. Tot aan het kandidaats (de huidige bachelor – red.) was ik vooral bezig met het sluiten van vriendschappen, het hebben van interessante discussies en het bezoeken van cafées. Ik ging wel naar allerlei lezingen, maar ik had de rust niet om stil te zitten studeren. De bibliotheek bezocht ik vooral om medestudenten te ontmoeten en samen koffie te gaan drinken, of een pilsje later op de dag. Als ik de tentamens maar haalde vond ik het wel best. De meeste vakken vond ik ook helemaal niet zo leuk. Ik was geneigd Taalkunde leuker te vinden dan Letterkunde, omdat de docenten me over het algemeen meer aanspraken. Ik heb dan ook mijn doctoraal (de huidige master –red.) in Taalkunde behaald.’

Om hoogleraar te worden is er toch behoorlijk wat ijver nodig. Wanneer sloeg de vonk over?
‘Pas na mijn afstuderen ben ik echt hard gaan werken. Op aanraden van een bekende solliciteerde ik naar de functie van wetenschappelijk medewerker bij de afdeling Taalbeheersing aan de UvA. Ik had nog nooit van Taalbeheersing gehoord – het had niet in mijn pakket gezeten – maar ik werd meteen aangenomen. De functie beviel me goed en na vier jaar werd in wetenschappelijk hoofdmedewerker. Ik gaf onderwijs en deed onderzoek. Taalbeheersing was lange tijd een vak onder de streep geweest, maar men begon steeds meer de maatschappelijke relevantie van het vak in te zien. Het miste echter de theoretische bagage om een vak boven de streep te worden. Samen met mijn toenmalige collega Rob Grootendorst heb ik besloten om daar wat aan te doen.’

‘Taalbeheersing was lange tijd een vak onder de streep geweest. Samen met Rob Grootendorst wilde ik daar wat aan doen.’

Hoe zijn jullie daar in te werk gegaan?
‘Hoewel dat in die tijd voor wetenschappelijk medewerkers niet echt vanzelfsprekend was, besloten we om een proefschrift te schrijven. We ontwikkelden een idee over wat Taalbeheersing zou moeten zijn: het vak moest zich gaan bezighouden met de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van teksten. We wilden een vak met een duidelijk profiel en hebben argumentatie als het centrale object gekozen. Dit om twee redenen: ten eerste kan argumentatie vanuit allerlei verschillende perspectieven worden bekeken, bijvoorbeeld vanuit taalkundig, logisch en psychologisch perspectief. Dat interdisciplinaire aspect vonden wij intellectueel gezien interessant en we konden er voorlopig wel mee uit de voeten. De tweede reden was dat argumentatie sociaal relevant is. We hadden hoogdravende ideeën over democratie: iedereen moest volgens ons in staat zijn om zijn mening goed te kunnen uiten. Die ideeën heb ik overigens nog steeds. Niet alle collega’s uit het vakgebied waren het met ons eens, maar onze vakomschrijving werd door de decaan geaccepteerd. Voor ons proefschrift, ‘Regels voor kritische discussies’, was veel belangstelling, ook in andere Europese landen en in Amerika. Uiteindelijk hebben we een heel onderzoeksprogramma ontwikkeld. We stelden een ideaalmodel voor een kritische discussie op, waarvan we de deugdelijkheid hebben aangetoond doordat alle drogredenen door de discussieregels uitgesloten konden worden. Het volgende project was om de stap tussen de empirische werkelijkheid en het model te gaan uitduiden: het reconstrueren van argumentatieve teksten aan de hand van het ideaalmodel. In mijn verdere loopbaan heb ik veel onderzoek gedaan en heb ik vele boeken geschreven, vaak in samenwerking met anderen. Die boeken zijn allemaal succesvol geworden en in vele talen vertaald.’

Houdt het succes u ijverig?
‘Natuurlijk is het leuk om succes te hebben, al heb ik publiek succes altijd afgehouden. Ik wil geen televisieprofessor worden. Met een vak als argumentatie word je namelijk al gauw een soort scheidsrechter die overal bij wordt gehaald, en dat leek me niet goed voor het vak. Succes in de academische wereld daarentegen vind ik wel erg leuk: het is een eer om bekroond te worden en prijzen te krijgen. Ik doe het er uiteraard niet voor, maar het zijn leuke bijkomstigheden. Het stimuleert me wel om door te gaan in mijn vakgebied, ook na mijn emeritaat. In mijn niet-ijverige tijd was ik meer zoekend, een zoekende ziel. Toen ik eenmaal gevonden had wat ik leuk vind om te doen was dat fantastisch. Door mijn werk heb ik mooie dingen meegemaakt, zoals de vele reizen en het ontmoeten van interessante mensen.’

‘Ik wil geen televisieprofessor worden. Met een vak als argumentatie word je al gauw een soort scheidsrechter die overal wordt bijgehaald.’

U heeft een eredoctoraat ontvangen van de universiteit van Lugano. Waarom heeft de universiteit van Lugano besloten u deze speciale onderscheiding toe te kennen?
‘Ten eerste vanwege het ontwikkelen van de pragma-dialectische argumentatietheorie, die in Lugano wordt gebruikt en wordt bewonderd. Ten tweede omdat ik veel projecten in samenwerking met de universiteit van Lugano heb gedaan. Bijvoorbeeld het jaarlijkse Amsterdam-Lugano Colloquium, waarbij de staf en de promovendi van beide universiteiten samenkomen en lezingen houden. Ook ben ik medeoprichter van het project Argupolis, een project voor promovendi dat zich bezighoudt met argumentatie in juridische, medische, academische en politieke context. Het is een leuk project omdat promovendi uit verschillende landen elkaar daar ontmoeten.’

Heeft u een favoriete drogreden?
‘Ik heb niet zozeer een favoriete drogreden, maar ik vind drogredenen waarvan de drogredelijkheid niet gauw wordt ingezien wel extra interessant. Een voorbeeld daarvan is tu quoque, bijvoorbeeld: ‘je rookt toch zelf ook papa’. Veel mensen vinden dat redelijk, en daar kan je je wel iets bij voorstellen. Er lopen verschillende normen- en waardensystemen door elkaar, en dat vind ik leuk. Wij als argumentatietheoretici kijken naar wat helpt om een verschil van mening op zijn merites op te lossen, maar dat zijn natuurlijk niet de enige normen.’

Wat gaat er nu gebeuren met de leegte die u achterlaat in de leerstoelgroep?
‘Ik had gehoopt dat er snel een opvolger gevonden zou worden, maar er is jammer genoeg geen overeenstemming bereikt. Francisca Snoeck Henckemans wordt nu voorzitter van de leerstoelgroep en neemt op die manier een deel van mijn functies over. Als zij dat goed doet is ze een voor de hand liggende kandidaat om hoogleraar te worden. Ik zou het leuk vinden als zij dat zou doen, want ze is een goede onderzoeker en een goed pragma-dialecticus. Ik heb alle vertrouwen in haar. Ook in de staf heb ik veel vertrouwen, ze zijn competent en hebben altijd goed met elkaar samengewerkt. Het wetenschappelijk werk is natuurlijk niet alleen aan Amsterdam gebonden. Ik hoop dat er in de rest van de wereld ook wordt doorgegaan met de pragma-dialectiek, want daar geloof ik natuurlijk in.’

‘Ik hoop dat er in de rest van de wereld ook wordt doorgegaan met de pragma-dialectiek, want daar geloof ik natuurlijk in.’

En wat gaat u zelf de komende tijd doen?
‘Ik ga echt helemaal weg van de UvA; ik blijf niet in mijn kamertje zitten om vanaf de achterbank mee te sturen. Andere mensen moeten nu de kans krijgen om hun eigen weg te gaan. Het is voor mij ook beter om het niet allemaal in de gaten de blijven houden, ik ben er zo mee vergroeid. Zo lang ik nog bij mijn volle verstand blijf, fit genoeg ben en er zin in heb zal ik echter nog wel doorgaan met onderzoek en andere activiteiten. Ik ben niet iemand die altijd al de ambitie heeft gehad om na zijn pensioen vogels te gaan bestuderen of iets dergelijks. Met Bart Garssen zal ik verdergaan met onderzoek naar ‘strategisch manoeuvreren’ (wat mensen doen als ze retorische middelen en goede argumenten met elkaar mengen – red.) in het Europees Parlement. Ook werk ik mee aan twee vaktijdschriften: ik ben hoofdredacteur van het leidende vaktijdschrift Argumentation en ik ben bezig met het nieuwe tijdschrift Journal of Argumentation in Context. Verder ben ik bezig met twee internationale boekenreeksen en een Engelstalig handboek. Daarnaast zal ik nog veel in samenwerking blijven doen met Lugano, heb ik nog tal van conferenties en geef de komende tijd ook keynote speeches, onder andere in China en Colombia. Genoeg dus om me de komende tijd mee bezig te houden.’

‘Ik blijf niet in mijn kamertje zitten om vanaf de achterbank mee te sturen. Andere mensen moeten nu de kans krijgen om hun eigen weg te gaan.’

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 24 april 2012, 14:12

tags: , , , , ,

reageren