Het weer

Sybren Spit

Op het moment dat ik dit schrijf zit ik in de zon. Dat vind ik fijn, want ik hou ervan om in de zon te zitten. Daarbij doet het me ook meteen denken aan hoe fascinerend de zon eigenlijk is. Of eigenlijk: hoe fascinerend het weer is.

Het weer is er namelijk altijd, maar dan ook echt áltijd. Weer of geen weer, voor niets komt de zon op. Het Nederlands is een van de weinige talen die recht doet aan het feit dat dat zo is. Het woord ‘weer’ kan immers zowel ‘opnieuw’ als ‘het geheel van meteorologische omstandigheden’ betekenen. Jeroen van Koningsbrugge’s weerman zou in elke andere taal nooit af kunnen sluiten met de woorden ‘dat was hét weer, dat was het wéér’ .

Het is dan ook niet heel gek dat elk journaal en elke krant elke dag weer een plekje inruimt om ons te berichten over het weer. Wat wel gek is, is dat ik eigenlijk nooit oplette wat er me precies verteld werd. ’s Ochtends doe ik altijd eerst even de deur open om te voelen wat voor jas ik aan moet. Het advies dat me de avond ervoor is gegeven, ben ik allang vergeten. Het werd kortom hoog tijd om niet alleen te lachen om het algehele voorkomen van Peter Kuipers Munneke, maar ook eens te luisteren naar wat hij precies te vertellen heeft. En dat blijkt nogal wat.

Zo legde Peter mij bijvoorbeeld uit dat in de secundaire regenboog ‘het licht in de regendruppels niet één, maar twee keer weerkaatst en daardoor zit het rood aan de binnenkant’. Ik ben blij dat Peter dit voor mij altijd onopgeloste probleem rondom de kleurspreiding in secundaire regenbogen oploste, want anders had ik waarschijnlijk nog steeds met het vraagstuk rondgelopen. Helemaal tevreden was ik toen Gerrit Hiemstra mij in de daaropvolgende dagen op de hoogste stelde van het bestaan van ‘pilotengaten’ en ‘stollingswarmte’ .

Ook in de krant worden steeds meer verbanden gelegd en duiken er termen op die ik niet echt begrijp. Zo wordt in de Volkskrant voor mij het volgende uitgelegd: “Aan de oostflank van een hogedrukgebied boven Ierland trekt vandaag een zwakke storing van noordwest naar oost over Nederland. Hierdoor heeft bewolking vaak de overhand, maar van tijd tot tijd is er ook zon.” Waarom heeft die bewolking nou de overhand? Komt het door de storing of door de beweging van oost naar west? Kan Gerrit mij dit ook uitleggen? En kan hij dan ook meteen uitleggen wat het NRC bedoelt met ‘groeizaam voorjaarsweer’ ?

Hoe meer ik op dit soort zaken begin te letten, hoe meer ik het idee krijg dat het weer een heleboel weg heeft van de economie. We kunnen verklaren wat er gebeurt, we gebruiken een heleboel moeilijke woorden om dat wat er gebeurd is te beschrijven, maar voorspellingen doen die altijd uitkomen, dat blijkt nogal moeilijk. Hoogconjunctuur, een lagedrukgebied, cumulonimbus, de wet van Say, valutaswap, lenticularis. What’s the difference?

Door al die moeilijke woorden snap ik vaak niet meer waar zo’n weerman het over heeft en volgens mij begrijpen ze het zelf ook niet altijd helemaal. Als ik naar Marco Verhoef luister, heb ik het idee dat Jupiter nog altijd onze weergod is. Marco schrijft namelijk bijna een volledige psyche aan bepaalde weersomstandigheden toe: “Dat hogedrukgebied probeert depressies vanaf de oceaan op afstand te houden. Dat lukt niet altijd.” Ik krijg bijna medelijden met het hogedrukgebied. Kunnen we hem alsjeblieft een beetje Prozac geven, zodat-ie weer gaat lachen?

Ik kijk nu dan ook elke dag uit naar het weerbericht van de avond. Ik ben benieuwd hoe het met het hogedrukgebied gaat en hoop dat hij het goed maakt. Benieuwder ben ik misschien nog wel naar de nieuwe woorden die ik vanavond zou kunnen gaan horen. Volgens mij is het namelijk niet het weer zelf dat me zo fascineert, maar eerder de manier waarop erover wordt gesproken: raadselachtig en onbegrijpelijk.

Dat was hét weer. Dat was het wéér.

Gepubliceerd door Ezra Hakze - 8 mei 2014, 19:39

tags: , ,

reageren