Grafschrift

Douwe Brouwer

Sinds mijn eerste studiedag aan de UvA heb ik de gewoonte ontwikkeld om in de vrije uren tussen de colleges verschillende musea te bezoeken. De verplichte nummers op het Museumplein had ik plichtsgetrouw bezocht, maar op een dag liep een hoorcollege enorm uit. Ik moest een locatie kiezen binnen een straal van 500 meter. Het Anne Frank Museum had ik al gezien dus ik liep expres de andere kant op, richting de Dam. Toen ik mijn bestemming bijna had bereikt, zag ik een man urineren tegen de Nieuwe Kerk. Een agent ter plaatse zag het als een overtreding, maar de licht beschonken man – het was net middag geworden – zag zijn urinelozing als een symbiose tussen zijn lichaam en de kerk. Het warme vloeistof was slechts het beginstadium, want de man verloor steeds meer zekerheid in zijn eigen benen en het ferme gebouw werd zijn belangrijkste steunpunt. De politieagent begon net aan zijn reprimande toen ik de kerk binnenliep. Ik moest tot mijn schaamte erkennen dat ik er nooit eerder was geweest. Mijn bezoek was ver voor de kroning van de nieuwe vorst, maar de toeristen waren al volop aanwezig. Ondanks de waarschuwingsborden bleven zij massaal foto’s maken van het gebouw. Enkele pronkstukken overheersten het schouwspel: een orgel en het enorm grote standbeeld van Michiel de Ruyter, zeeheld der zeehelden. Ik wilde naar de kassa lopen om mijn toegang financieel te bevestigen, totdat ik merkte dat een paar verdwaalde mensen gebiologeerd naar iets stonden te kijken nabij de ingang. Ik liep naar ze toe en concludeerde dat ze naar de brandblusser stonden te kijken. Het hulpstuk in hete omstandigheden viel door zijn felrode kleur uit de toon, maar soms moet het nut boven de esthetiek staan. Daarnaast stond een klein overvol prullenbakje en een plastic fles stak daar driekwart bovenuit. Ik keek automatisch door de viezigheid meteen naar iets anders in de directe omgeving. De andere mensen waren al weg uit het dode hoekje waardoor ik iets nieuws zag: een graf.

Zolang ik mij kon herinneren, was ik jaloers op degenen die binnen een gebouw hun rustplaats hadden gevonden. De vieze beestjes die lichamelijke resten aanvraten, zag ik altijd buiten. Daaruit concludeerde ik dat de dode kerkgangers beschermd waren tegen het ongedierte en uiteindelijk maagdelijk schoon uit hun doodskist zouden herrijzen. Dit gevoel had ik niet toen ik dit graf zag. Het was oneerbiedig weggestopt in de uiterste hoek van de kerk waarvoor mensen niet hoefden te betalen. Ik las het grafschrift om te weten met welke arme drommel ik te maken had. De naam luidde: Joost van den Vondel. Ik was verbijsterd. Misschien betrof het een naamgenoot? Volgens het internet kwam het geboorte- en sterftejaar overeen met die van de beroemdste dichter van de zeventiende eeuw. Hoe kon een man die het woord ‘schouwburg’ had bedacht en de maker was van het stuk dat de langste toneeltraditie van Europa kende, zo worden afgedankt? Was hij in ongenade gevallen?

Bedroefd had ik de kerk verlaten om nooit meer terug te keren, totdat ik op het internet een foto zag die mijn gedachten zou veranderen: een gedenkteken van het kunstgenootschap Diligentiae omnia. Dat zag ik toentertijd niet in het gratis hoekje, waardoor Vondel in mijn ogen direct werd gepromoveerd tot een essentieel element van de Nieuwe kerk. Ik zou nooit meer een instituut of gebouw veroordelen voordat ik het totale plaatje had gezien of in ieder geval een kaartje had gekocht. Anders was ik niet beter dan die oude zeikerd.

Gepubliceerd door Ezra Hakze - 7 april 2014, 16:23

tags: ,

reageren