Een nieuw nummer in het nieuwe jaar

Het lijkt nog ver weg, maar op de redactie van Absint zitten we alweer tot over onze oren in de eindejaarssferen. We luiden 2015 dan ook in met een nieuwe editie van Absint. De resten van het oudejaar zullen dan langzaamaan opgeruimd zijn, en dat vraagt om voorzichtigheid. Het nummer zal daarom niet in zijn geheel een Nieuwjaarsnummer worden. Wel plaatsen we een eindejaarsverhaal en hebben we enkele docenten gevraagd om een analyse te maken van Avond van Boudewijn de Groot, het nummer dat ook dit jaar als hoogst Nederlandstalige nummer in de top 2000 eindigt. Die analyse levert spitsvondige opmerkingen als de volgende op, afkomstig van respectievelijk Lisanne Snelders en Lia van Gemert (ook Stephan Besser droeg overigens bij aan de analyse).

‘‘Bovendien gaat hij door het groeten van de stoelen een affectieve relatie aan met de
ruimte zelf”

‘‘Dat is wat me hindert: het lied dreunt maar door. De emotie en de spanning van de eerste strofe zijn al snel verdwenen”

Het begin van een nieuw jaar is natuurlijk een geschikt moment voor een terugblik. Ook in nummer 15 staat dus een aflevering van Absint Met, waarin Lisa van Campenhout het nieuws doorneemt met een figuur uit de neerlandistiek. Dit keer belandt Lisa op een heuse woonboot en praat daar met Evi Hoste, hoofdredacteur van grafisch-literair tijdschrift Slang. Het levert onder andere deze wat verontrustende anekdote over Absint op (het drankje, niet het tijdschrift): “Over absint bestaan zoveel mooie anekdotes”, zegt Evi dromerig terwijl ze in haar pizza snijdt. “Een vriend van me had eens een avondje pastis gedronken. Dat blijft aan je maag plakken. De volgende ochtend zat er kennelijk nog steeds een bodempje in, want toen hij water ging drinken, werd het een soort pastislimonade. Was hij wéér dronken!”

Verder onderzoekt Ezra Hakze de staat van boekenprogramma’s en ontdekt dat het geen grapje is om een schrijver te zijn, want je moet aan heel wat eisen voldoen voor jouw boek op tv komt. Ook staat het boekenprogramma zelf regelmatig onder vuur:

‘‘Dat er zelfs binnen de boekenprogramma’s onderscheid bestaat tussen ‘hoog’ en ‘laag’ blijkt wel op Tzum, de literaire nieuwswebsite die er een traditie van maakt om elke maand de boekenrubriek van De Wereld Draait Door af te kraken. Want wat weten boekhandelaars nou van literatuur? Daar moet je op z’n minst Nederlands voor gestudeerd hebben!”

Wat argumentatieanalyse betreft kunnen we weer een stuk van Mira Sys verwachten. Zij heeft zich deze keer over de argumenten rondom de discussie over Ebola gebogen. In het bijzonder over de argumenten rond de politiek van het sluiten van landsgrenzen. Hoe redelijk zijn deze argumenten? Je komt het gauw te weten.

Het wordt een bijzonder nummer op het gebied van recensies, in nummer 15 zal voor het eerst een recensie van een historisch literair werk staan. Daarnaast is de recensie van Worst, de nieuwe roman van Atte Jongstra, geschreven door een uitzonderlijke auteur. Hij introduceert zichzelf als volgt:

‘‘De redactie van Absint verzocht mij de in oktober 2014 verschenen roman Worst van de schrijver Atte Jongstra te beoordelen. Een uitzonderlijk verzoek. Doorgaans vermijdt men intimi van de auteur te vragen een recensie over het werk van een vriend te schrijven. Belangenverstrengeling, objectiviteit, al dat soort zaken maken zoiets onwenselijk.”

Jullie favoriete tijdschrift zal dus weer een hele rits aan onderwerpen bevatten, met een feestelijk tintje. Iets om naar uit te kijken voor in het nieuwe jaar!

Gepubliceerd door Ezra Hakze - 27 december 2014, 14:20

tags: ,

reageren


Voorproef Absint #14

De nieuwe Absint is onderweg en komt eind oktober uit. Hij zal natuurlijk vol staan met vaste rubrieken zoals de taalkundige reportage,´Absint met’, de borrelrubriek en proza en poëzie. Oktober duurt echter nog lang en voor sommigen is deze informatie niet specifiek genoeg. Daarom bij dezen een voorproef van Absint #14, een overzicht van een aantal artikelen uit het nieuwe nummer.

In ‘Absint met…’ neemt Lisa van Campenhout samen met een figuur uit de neerlandistiek en al haar raakvlakken – prominent of niet – het nieuws van de afgelopen twee maanden door. Wat is er gebeurd sinds de vorige Absint verschenen is? Tevens probeert Lisa enkele profetische uitspraken te ontlokken aan de geïnterviewde. In dit nummer Claudia Zeller, ex-redacteur van Absint en nu docent Études Néerlandaises aan de Sorbonne in Parijs.

“Mijn lievelingsvak is een vak waarbij ik uitleg hoe je wetenschappelijke Nederlandse teksten leest. Er is maar één leerling die dit vak volgt. Ik ben begonnen met het hoofdstuk ‘macht’, over Foucault. Die kende ze niet. ‘Ik studeer geen filosofie’, zei ze.”

Lisa van Campenhout en Ezra Hakze nemen de recensies in dit nummer voor hun rekening. Eén zal over ‘Roxy’ gaan, de nieuw te verschijnen roman van Esther Gerritsen:

‘‘Geen vrouw reageert hetzelfde wanneer zij te horen heeft gekregen dat ze zojuist weduwe is geworden. En dat hoeft ook niet: iedereen heeft het recht om op een eigen manier om te gaan met het wegvallen van een geliefde. Zo ook Roxy in het gelijknamige boek van Esther Gerritsen. In haar zesde roman beschrijft Gerritsen de pijn van een personage dat plotseling een wereld in moet waar ze nog niet klaar voor is. Gerritsen tekende dit op in een goed doordacht verhaal dat nog wel iets meer had mogen zijn.
Gerritsen vertelt het verhaal van haar hoofdpersoon op indringende wijze: de gevoelens van Roxy komen pijnlijk helder aan, zowel bij de andere personages als bij de lezer. Roxy wil helemaal niet rouwen, Roxy wil niets. Nou ja, koffie drinken, en roken, en onderonsjes met willekeurig beschikbare mannen, maar nog alsjeblieft niet even meedoen aan het leven, Roxy is immers weduwe, dat mag je je toch aan alles onttrekken?’‘

Verder telt het nummer een kritische uiteenzetting van de argumenten voor en tegen de Ice Bucket Challenge, een literair misdaadverslag van Peter R. de Vries, en een aflevering van ‘Vreemde Wateren’ waarin een leek in de taalkunde zich buigt over een artikel van Fred Weerman. Poëzie en proza zal onder andere afkomstig zijn van Marieke Rijneveld en Jan Zwaaneveld, die beiden al in verscheidene literaire tijdschriften stonden. Rijneveld werd onlangs door Arie Boomsma genoemd als ‘nieuw literair talent’.

Ben je daarnaast ook nog benieuwd naar wat argumentatie en dansen in godsnaam met elkaar te maken hebben? Lees dan zeker het artikel ‘Argumentatie als een dans’ van Mira Sys. Hierin wordt de suggestie gedaan om op een vredelievendere manier met argumentatie om te gaan en er vanuit een ander perspectief naar te kijken.

Tenslotte wordt ook Absint #14 afgesloten met een kruiswoordpuzzel en traditionele prijs:

‘‘Ondertussen is het collegejaar alweer aardig op gang en snak je wellicht naar een korte adempauze. Ach, alles is relatief, dus ook vrije tijd. Dan kun je net zo goed kijken wat jij allemaal van het postmodernisme weet – kennis is immers macht. Ben jij een beetje bekend met postmoderne begrippen en de grote namen uit deze stroming? Test het in het volgende nummer en win een fles absint!’‘

Gepubliceerd door Ezra Hakze - 5 oktober 2014, 21:41

tags: , , , ,

reageren


Rauw en hedendaags

Claudia Zeller

Daar ligt hij dan eindelijk, de ‘langverwachte debuutbundel’, zo vermeldt de flaptekst, van de ‘Winnaar NK Poetry Slam 2014’, aldus de glimmende sticker die prominent op de voorkant prijkt. Ik heb het natuurlijk over Crowdsurfen op laag water van niemand anders dan Daniël Vis. Of op papier of in het echt, voor de oplettende lezer en trouwe bezoeker van de Absintfeesten is Daniël Vis allesbehalve een onbekende. Naast optredens tijdens zowel de lancering als het verjaardagsfeestje van Absint waar Daniël Vis in levenden lijve aanwezig was, stond hij met maar liefst drie gedichten in Absint, waarvan twee in het allereerste nummer, en eentje in het jubileumnummer. Tot nu toe, bijdragen van redacteuren niet meegerekend, een ongekend record. Twee van de in Absint gepubliceerde gedichten zijn, zij het in (licht) gewijzigde vorm, terug te vinden in Crowdsurfen op laag water.
De poëzie van Vis is rauw en hedendaags. Alles is zo feitelijk mogelijk: ‘Ik tel de knoppen op de afstandsbediening van de tv./ik wil berekenen hoeveel unieke combinaties je kan maken.’ In de terminologie van de promotieafdeling van Prometheus heet dat ‘Tarantino-achtig’, een bijvoeglijk naamwoord dat me, ook in mijn hoedanigheid van liefhebber van de Franse Nouvelle Vague, niet meteen kan bekoren. Toch kan ik me er iets bij voorstellen. Het lyrische subject keert de blik naar buiten en beschrijft nauwkeurig zijn verhouding tot de wereld: ‘bij de kassa staat een man met een t-shirt/waarop staat: armed and dangerous.//hij heeft een boodschappenmandje vast.//hij zet netjes een balkje op de band./ik zet netjes een balkje op de band.//ik heb geen t-shirts met opdruk.’
Wat daarbij opvalt, is de steeds terugkerende afstand tussen de ik en de wereld. Die afstand manifesteert zich op verschillende manieren, ook op stilistisch niveau. Kale strofes van meestal niet meer dan twee regels die ophouden met een punt, gevolgd door een witregel; of strofes van slechts één regel waarin het lyrisch subject cynisch commentaar lijkt te leveren op de door hem geobserveerde werkelijkheid. In alledaagse scènes, wars van metaforen, toont Vis steeds opnieuw de onoverbrugbare tussenmenselijke afstand in een haast existentieel eenzame wereld. Of in de supermarkt, op het schoolplein, achter de computer of aan tafel, steeds mislukt het om daadwerkelijk contact te maken. Mensen, en vooral kinderen, zijn wreed, lijkt Vis te willen zeggen, maar ze doen het heus niet expres: ‘de buurkinderen slaan elkaar/de hersens in/met een kinderbijbel.’
‘Een jonge dichter met een grote mond’, zo typeerde Menno Wigman het werk van Daniël Vis. Maar naast een grote mond heeft Daniël Vis vooral ook een scherpe blik, en dito pen. Een pen die niet aan de oppervlakte blijft krassen. Seks in alle soorten en maten is een van de onderwerpen die steeds terugkomen. Zo wordt bijvoorbeeld het verlangen naar lichamelijk contact in een anonieme, digitale wereld op allerlei manieren ontleed, maar de beschrijvingen van seksueel contact, virtueel of niet, blijven onderkoeld en beperken zich tot de kale feiten.
Ook de grens tussen echt en nep is aan het vervagen. Zo figureren er in de bundel tenminste drie verschillende soorten poppen: een babypop, Ken en Barbie, en een neppop om beademingen op te oefenen. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor de sinister ogende voorkant, een plaatje van een naakte pop, en een spuit. Eigenlijk vat dit plaatje de debuutbundel van Daniël Vis wel mooi samen: Er is niets teders aan, maar bijna elke regel is raak.

Daniël Vis
Crowdsurfen op laag water
Prometheus
€ 15,00
73 pagina’s
2014
ISBN 9044625519

Gepubliceerd door Lisa van Campenhout - 26 mei 2014, 18:29

tags: , , , ,

reageren


Het weer

Sybren Spit

Op het moment dat ik dit schrijf zit ik in de zon. Dat vind ik fijn, want ik hou ervan om in de zon te zitten. Daarbij doet het me ook meteen denken aan hoe fascinerend de zon eigenlijk is. Of eigenlijk: hoe fascinerend het weer is.

Het weer is er namelijk altijd, maar dan ook echt áltijd. Weer of geen weer, voor niets komt de zon op. Het Nederlands is een van de weinige talen die recht doet aan het feit dat dat zo is. Het woord ‘weer’ kan immers zowel ‘opnieuw’ als ‘het geheel van meteorologische omstandigheden’ betekenen. Jeroen van Koningsbrugge’s weerman zou in elke andere taal nooit af kunnen sluiten met de woorden ‘dat was hét weer, dat was het wéér’ .

Het is dan ook niet heel gek dat elk journaal en elke krant elke dag weer een plekje inruimt om ons te berichten over het weer. Wat wel gek is, is dat ik eigenlijk nooit oplette wat er me precies verteld werd. ’s Ochtends doe ik altijd eerst even de deur open om te voelen wat voor jas ik aan moet. Het advies dat me de avond ervoor is gegeven, ben ik allang vergeten. Het werd kortom hoog tijd om niet alleen te lachen om het algehele voorkomen van Peter Kuipers Munneke, maar ook eens te luisteren naar wat hij precies te vertellen heeft. En dat blijkt nogal wat.

Zo legde Peter mij bijvoorbeeld uit dat in de secundaire regenboog ‘het licht in de regendruppels niet één, maar twee keer weerkaatst en daardoor zit het rood aan de binnenkant’. Ik ben blij dat Peter dit voor mij altijd onopgeloste probleem rondom de kleurspreiding in secundaire regenbogen oploste, want anders had ik waarschijnlijk nog steeds met het vraagstuk rondgelopen. Helemaal tevreden was ik toen Gerrit Hiemstra mij in de daaropvolgende dagen op de hoogste stelde van het bestaan van ‘pilotengaten’ en ‘stollingswarmte’ .

Ook in de krant worden steeds meer verbanden gelegd en duiken er termen op die ik niet echt begrijp. Zo wordt in de Volkskrant voor mij het volgende uitgelegd: “Aan de oostflank van een hogedrukgebied boven Ierland trekt vandaag een zwakke storing van noordwest naar oost over Nederland. Hierdoor heeft bewolking vaak de overhand, maar van tijd tot tijd is er ook zon.” Waarom heeft die bewolking nou de overhand? Komt het door de storing of door de beweging van oost naar west? Kan Gerrit mij dit ook uitleggen? En kan hij dan ook meteen uitleggen wat het NRC bedoelt met ‘groeizaam voorjaarsweer’ ?

Hoe meer ik op dit soort zaken begin te letten, hoe meer ik het idee krijg dat het weer een heleboel weg heeft van de economie. We kunnen verklaren wat er gebeurt, we gebruiken een heleboel moeilijke woorden om dat wat er gebeurd is te beschrijven, maar voorspellingen doen die altijd uitkomen, dat blijkt nogal moeilijk. Hoogconjunctuur, een lagedrukgebied, cumulonimbus, de wet van Say, valutaswap, lenticularis. What’s the difference?

Door al die moeilijke woorden snap ik vaak niet meer waar zo’n weerman het over heeft en volgens mij begrijpen ze het zelf ook niet altijd helemaal. Als ik naar Marco Verhoef luister, heb ik het idee dat Jupiter nog altijd onze weergod is. Marco schrijft namelijk bijna een volledige psyche aan bepaalde weersomstandigheden toe: “Dat hogedrukgebied probeert depressies vanaf de oceaan op afstand te houden. Dat lukt niet altijd.” Ik krijg bijna medelijden met het hogedrukgebied. Kunnen we hem alsjeblieft een beetje Prozac geven, zodat-ie weer gaat lachen?

Ik kijk nu dan ook elke dag uit naar het weerbericht van de avond. Ik ben benieuwd hoe het met het hogedrukgebied gaat en hoop dat hij het goed maakt. Benieuwder ben ik misschien nog wel naar de nieuwe woorden die ik vanavond zou kunnen gaan horen. Volgens mij is het namelijk niet het weer zelf dat me zo fascineert, maar eerder de manier waarop erover wordt gesproken: raadselachtig en onbegrijpelijk.

Dat was hét weer. Dat was het wéér.

Gepubliceerd door Ezra Hakze - 8 mei 2014, 19:39

tags: , ,

reageren


Drie misvattingen over de uitgeverij

Jolanda van de Beld

Sinds drie jaar heb ik een bijbaantje bij een uitgeverij in Amsterdam. Als receptioniste behandel ik telefoontjes en e-mails met vragen, opmerkingen en klachten van velerlei aard. Na deze drie jaar ben ik tot de conclusie gekomen dat er een diepgeworteld wantrouwen heerst bij de gemiddelde Nederlander ten opzichte van ‘de uitgeverij’. Daardoor stuiten ik en mijn medereceptionistes vaak op geërgerde, beledigde of teleurgestelde mensen. Hier volgt daarom voor eens en voor altijd: de drie grootste misvattingen over de uitgeverij rechtgezet.

Misvatting 1: Ingestuurde manuscripten worden niet gelezen
Wekelijks krijgt onze uitgeverij ongevraagd tientallen manuscripten opgestuurd. Kennelijk willen nog steeds veel mensen hun eigen creatieve verhaal, familiegeschiedenis, theorie of therapie in boekvorm gepubliceerd zien. Hoe teleurstellend het ook is, helaas is er gemiddeld maar één uitgave per jaar die daadwerkelijk ‘van de stapel’ is gekomen. De andere honderden manuscripten verdwijnen uiteindelijk in de versnipperaar. Maar, anders dan veel mensen schijnen te denken: ze worden wel gelezen. Alleen, de meesten worden niet gehéél gelezen, aangezien een geoefende redacteur na enkele pagina’s in negen van de tien gevallen al kan beoordelen of een schrijfsel potentie heeft of niet. Helaas zijn sommige auteurs in spe zo overtuigd van hun eigen bestseller dat ze niet kunnen geloven dat het wordt afgewezen door de uitgever. Maar al te vaak krijgen we naar ons hoofd dat “het zeker niet gelezen” wordt. Na afwijzing ontving ik ooit een reactie van iemand – deze persoon had gevraagd het manuscript retour te sturen – dat “het stof van de kopieerwinkel nog op de achterkant zat”. Tja.

Misvatting 2: In tegenstelling tot andere mensen maken wij nooit fouten
Ook wij geven af en toe een boek uit waarin een spelfout opduikt en ook wij realiseren ons soms na een eerste druk dat een vertaling beter had gekund. Voor dit soort gevallen heeft de uitgever mensen in dienst die constant aan nieuwe drukken en herdrukken werken om de fouten eruit te halen en de vertalingen te verbeteren. Gek genoeg wordt de uitgever meer dan eens in haast aanvallende e-mails ervan beticht zijn imago drastisch tekort te doen – “Teleurstellend voor zo’n gerenommeerde uitgeverij!”. Klachten over prijs-kwaliteitverhouding – “Belachelijk voor een boek dat toch €19,95 kostte!” – of ons allesoverheersende winstbejag – “U wilde zeker zo snel mogelijk eraan verdienen, dat het zo slecht gecorrigeerd in de winkel ligt!” – zijn mij niet vreemd. Ook klachten over slecht ingebonden boeken of misdrukken met dubbele katernen worden soms zonder pardon op ons bordje gegooid. Ten eerste zijn dit problemen die ontstaan bij de boekbinder, waar helaas ook maar gewone mensen werken. En ten tweede krijgt u áltijd een nieuw exemplaar in plaats van de misdruk, te krijgen bij elke boekhandel in Nederland. Niemand wil een product dat kapot is en dit geldt net zo goed bij boeken. Van leer trekken tegen de uitgever heeft net zo weinig zin als de ontwerper van je Philips-stofzuiger een boze brief sturen. Bij de winkel om vervanging van je defecte product vragen heeft meer zin. Fabrieksfoutjes komen helaas ook bij boeken voor.

Misvatting 3: Wij zijn deskundigen op het gebied van al onze boeken
Bij de receptie van onze uitgeverij kun je met allerlei vragen terecht, maar helaas ben ik niet van alles wat in onze boeken geschreven wordt op de hoogte. Zo kreeg ik ooit naar aanleiding van een boek over voeding iemand aan de telefoon met de vraag of honing een goede vervanging was voor suiker. De dag erna belde er iemand die zich afvroeg waarom er niks over zout gezegd werd in het boek. De keer daarop had iemand de vraag waar dat ene ingrediënt uit een recept te verkrijgen was. Met uitzondering van de laatste vraag – een biologische winkel, gokte ik – kon ik deze personen helaas niet van dienst zijn. Wij geven het boek uit en weten alles van de verschijningsdatum, herdrukken, verkooppunten en leverbaarheid, maar we zijn geen deskundige met betrekking tot de inhoud. Ik kan niemand adviseren wel of geen honing of wel of geen zout te consumeren. En zo kan ik geen antwoord geven op de vraag in welke stad een bepaald boek zich afspeelt en weet ik ook niet of een auteur een huidziekte heeft omdat de hoofdpersoon in zijn boek psoriasispatiënt is.

Kortom: wij, de mensen werkzaam bij de uitgeverij, zijn niet allemaal arrogant, onwelwillend of onbehulpzaam. En om dat idee uit de wereld te helpen, blijf ik dus iedereen maar vriendelijk te woord staan.

Gepubliceerd door Lisa van Campenhout - 17 maart 2014, 22:09

tags: , ,

reageren


Recensie: Pepijn Lanen - Sjeumig

Ezra Hakze

Een ‘woordkunstenaar’ wordt rapper Pepijn Lanen (vooral bekend als ‘Faberyayo’ van de Jeugd van Tegenwoordig) weleens genoemd door extatische muziekrecensenten. Straattaal en creatieve vondsten strijden dan ook om de voorrang in zijn rapteksten. Zo kwam hij ooit op de proppen met het begrip ‘solonaise’, wat zoveel betekent als een eenzaam feestje. Het woord ‘sjembek’, ook een creatie van zijn hand, hoort tot een van mijn favoriete beledigingen (al ben ik er nooit achter gekomen wat het nou precies betekent).
De vraag is of de talenten van Lanen ook standhouden in de literatuur. Sjeumig is zijn verhalendebuut, en door zijn achtergrond roept het meteen al hoge verwachtingen op. De uitgever maakt het op de zijflap van het boek wel erg bont: Sjeumig zou een ‘nieuwe stroming in de Nederlandse letteren’ aankondigen. Kom kom.

Het decor waarvoor Lanen kiest is zeldzaam in volwassenenliteratuur. Dieren en fabelfiguren vertolken veelal de hoofdpersonen, en begeven zich in de arena van moderne sprookjes. Je leest over scheldende kabouters en bevers, een prinses in een glas bier, en een aap die patent probeert aan te vragen en in een vinexwijk woont. De werkelijkheid wordt een hak gezet, en Faberyayo heeft duidelijk zijn best gedaan het allemaal zo geinig mogelijk op te schrijven. Regelmatig komt hij met een leuke vondst, die zo op het prikbord kan. Seks is een ‘vleesdans’ en herten kauwen op ‘exquise groen gras uit een heel goed jaar’. Het personage ‘de Rechtvaardige Schoffant’ strooit met beledigingen als ‘je stinkt uit je ziel!’.

Gedurende het boek helt Lanen echter steeds naar het randje van het aanvaardbare. Dwaze personages en wendingen komen steeds terug en worden voorspelbaar. De afloop van de verhalen herhaalt zich. Vaak wordt er uiteindelijk ‘een oogbal uit zijn kas geworsteld’, een hoofd van een romp afgetrokken of gesmeten met glaswerk. Hierdoor worden de verhalen inhoudelijk wat mager. Stilistisch valt Lanen soms ook door de mand, vooral wanneer hij zijn spierballen wil laten zien. Dit resulteert in tamelijk ongrammaticale, overbodige zinnen: ‘Er bestonden waterlichamen die benamingen als ‘beekjes, ‘stromen’, ‘rivieren’, en zelfs ‘stuwmeren’ droegen, die exact niets op hem hadden, als het aankwam op het zijn van nat, of het bevatten van watervocht.’ Het komt allemaal wat onbeholpen over, en maakt dat de lezer er steeds aan herinnerd wordt dat Sjeumig Lanens schrijversdebuut is.

Een aantal verhalen springen er inhoudelijk uit, en bij deze verhalen komt ook Lanens stijl beter tot zijn recht. Dit zijn bij uitstek de realistische verhalen, over een kantoorklerk, een meisje met een kater, of een one night stand. Hier weet Lanen de pijn en ironie van deze personages goed te tonen. Zijn groteske stijl is zo een goede aanvulling. Soms doet hij zelfs denken aan de jonge Grunberg: ‘Het regende net iets te hard om op de fiets te stappen, en bovendien had Marie-Claire een jas aangetrokken die er wel leuk uitzag maar op geen enkele manier waterdicht was. ‘Het leven is niet waterdicht’ spookte als zin door haar hoofd, zonder dat ze daar per se wijzer van werd.’ Even stilistisch als ironisch weet hij over de landerigheid van eigen generatie te schrijven, en je vraagt je af waarom Lanen steeds voor kabouters in de hoofdrol kiest als de werkelijkheid ook toereikend is. Het is tenslotte beter te lachen om iets wat ook nog hout snijdt. In de meeste verhalen van Pepijn Lanen zijn de kekke, grofgebekte fabelfiguren niet onontbeerlijk, maar voornamelijk een schreeuwerige factor die de urgentie van het verhaal doet kelderen. Juist wanneer Lanen de handrem inhoudt, komt hij tot zijn recht.

Waarom de uitgever niet even heeft gewacht met publiceren is me een raadsel. Waarom ze het nalaten de paar ongrammaticale zinnen te verbeteren, eveneens. Het lijkt wel alsof Sjeumig nog in de kinderschoenen stond toen hij naar de drukker ging. De potentie is er, en de creativiteit en taalgevoeligheid van Lanen beloofden dat dit een heel aardig debuut zou worden. Zijn literaire stem moet hij niettemin nog vinden, als je op de variatie in het niveau van zijn verhalen afgaat. Hoe catchy Faberyayo is in zijn muziek, zo omslachtig is hij nu in zijn literatuur. Het geheel wekt de verdenking op zich dat ook de redacteuren van Anthos fans van De Jeugd van Tegenwoordig zijn.

Sjeumig – Pepijn Lanen (A.K.A. Faberyayo)
Anthos, eerste druk november 2013

Gepubliceerd door Ezra Hakze - 27 februari 2014, 21:37

tags: , , ,

reageren


8-8-4

Jan van Helden

Als mij voor aanvang van het collegejaar was gevraagd een mening te geven over het nieuwe 884-systeem, had ik schaapachtig in de rondte gekeken, mijn schouders opgehaald en met enige vertwijfeling gemompeld: ‘8-8-4? Geen idee. Ongetwijfeld een keer langs zien komen op de site of over gehoord tijdens een voorlichtingsdag, maar laat ik eerlijk zijn: ik was daar meer om mijn ouders gerust te stellen dat ik echt nog wel ging studeren.’

Zo betrad ik afgelopen jaar nietsvermoedend de universiteit. Nederlandse Taal en Cultuur. Ik wil vast schrijver worden, of iets in de journalistiek, maar dat willen we allemaal wel. Eerst maar kijken hoe het studeren mij afgaat. Nieuwe mensen, nieuwe ervaringen. Een tussenjaar achter de rug, de drang om mijn verlepte hersenen weer te prikkelen was groot.

Het jaar begon gemoedelijk. Voor iedere nieuwkomer is de universiteit een web vol verassingen. Ze gooien je in het diepe: welkom in de grotemensenwereld, zoek het nu zelf maar uit. Gaandeweg leerden we de fijntjes van Blackboard, ontdekten we de onmenselijke panini’s uit de Leeuwenkuil en, niet geheel onbelangrijk, het beruchte 884-systeem.
In de veronderstelling dat het nieuwe systeem alleen maar voordelen zou opleveren – althans, dat hoop je als er zoveel jaren aan is gewerkt –, is er sinds mijn binnenkomst niets anders geweest, waar ik zoveel gemekker over heb gehoord als de nieuwe jaarindeling van de universiteit. Wat is het probleem? Verandering? Een diepgewortelde haat tegen alles dat een aanpassing van ons acht? Het neigt naar autisme. Bij die gedachte krijg ik het hondsbenauwd.

Scholieren zijn altijd al angstig geweest voor verandering. Ik kan me nog goed herinneren dat onze middelbare school werd verbouwd en wij onrustige pubers, gedeporteerd naar een troosteloos bijgebouwtje, niks anders deden dan jammeren, piepen en vloeken. ‘De vloer lijkt wel ondergekotst’, riep de een, ‘de bel klinkt als een stervend kalf’, blafte een ander. De onrust was ongehoord. Toen de regering met een nieuwe urennorm kwam aangekakt, stonden ruim vijftienduizend scholieren het Museumplein te vernielen. Die middag was berengezellig, maar waarom zijn wij leerlingen, wanneer het aankomt op veranderingen van het schoolsysteem aankomt, zo angstig? Naar mijn idee kost het nodeloos veel tijd en energie. En dat is helemaal nergens voor nodig.

Enfin, ik vind 8-8-4 een heel prettig systeem. Je werkt acht weken intensief aan twee vakken, het is hartstikke overzichtelijk. Afgelopen jaar had men de maand januari vrij. Dit zou misschien meer dan welkom zijn, maar ik zie geen enkel voordeel in vijf vakken tegelijk volgen, alles verspreid over een blok van zestien weken en, zoals ik begreep, bijna alle tentamens pas aan het eind van het semester. Vervlogen kennis, vermoeide studenten. Nu rondt men gelijk een vak af. Een voldoende halen, niks meer aan doen, volgend vak.

Ben ik te goedgelovig? Ik ben natuurlijk slechts een leek. We zullen het gemekker nog wel een tijdje horen. Maar ooit zal iedereen zich erbij moeten neerleggen. We hebben al genoeg om ons druk over te maken. Ondertussen studeer ik vredig door. Want studeren, daar kwam ik voor.

Gepubliceerd door Yves Otten - 19 mei 2013, 14:46

tags: , , , ,

reageren


Mei is een rare maand

Claudia Zeller

Mei is een rare maand. Hij begint met de Dag van de Arbeid. In andere landen hult men zich op deze dag in een op het socialisme geïnspireerde vlag. Hier ligt iedereen lekker uit te brakken. ‘Mei’ is echter ook de naam van een studentenpartij. Ik heb nooit begrepen waarom een studentenpartij de naam van een maand kan opeisen. En waarom ‘mei’ mei heet en niet december, of oktober. Goed, October is de naam van een academisch tijdschrift met een activistisch programma, dus die is al vergeven. Maar voor de rest lijkt de keuze uit de elf resterende maanden vrij arbitrair.

De woordgrap ‘kies mei’ of, in de taalkundig-fonetisch correcte vorm ‘stem op mei’ is iets waar zelfs eerstejaars niet om kunnen gniffelen, verder is de relatie tussen verse jus, appels en mei mij niet helemaal duidelijk. Pas deze week besefte ik dat ‘mei’ waarschijnlijk ‘mei’ heet en niet december, omdat de verkiezingen voor de CSR en de FSR toevallig in deze maand plaatsvinden. Daar kwam ik achter toen ik op de lift stond te wachten. In de Muurkrant van de Humaniora presenteren de lijsttrekkers van de drie studentenpartijen (mei dus, UvASociaal en Ons) hun programma. En van de lijsttrekkers heeft het over ‘studeerbaarheid’. Die wil hij vergroten. Dit woord trok mijn aandacht.

Een gek iets, die studeerbaarheid. Ten eerste wekt het associaties met een aanverwante term die de laatste jaren erg in zwang is: leefbaarheid. Deze term is dusdanig ingeburgerd dat ik me niet eens verbaas wanneer ik in de krant een statistiek over de leefbaarheid van Amsterdamse wijken zie. Dat bijvoorbeeld de Jordaan leefbaarder is dan de Bijlmer lijkt me meer dan aannemelijk, dat weten zelfs eerstejaars.
Maar ‘studeerbaarheid’? C’est quoi ça? Ten eerste klinkt het natuurlijk ontzettend hip. De lijsttrekker mikt vast op het voorzitterschap van de jongerenorganisatie van een of andere politieke partij. Zijn lijsttrekkerschap bij een studentenpartij is alvast een goede oefening in het kunstje van bestuurderstaal.

Elk jaar horen we opnieuw, in de wandelgangen, in de kantine of van de kandidaten zelf, dat de studentenraadsverkiezingen een farce zijn. Dat is echter niet de schuld van de UvA. Aan de Sorbonne strijden de studentenraden voor een extra magnetron in de kantine, de plaatsing ervan vieren ze als grote overwinning. Alsof er ergens op een stoffig kantoortje een kwaadwillige monsieur zit die niets van magnetrons moet hebben. Aan de UvA praat men vaagjes over medezeggenschap en studeerbaarheid. Medezeggenschap is een mooi streven. We koesteren graag de illusie dat de universiteit een enigszins democratisch instituut is. Dat moet vooral niet veranderen.

Toch is ‘studeerbaarheid’ iets anders dan ‘leefbaarheid’. Wanneer het ergens goed toeven is, als je er lekker biertjes kunt drinken en ’s nachts niet te veel last hebt van je buren, dan woon je in een ‘leefbare wijk’. Er is vast ook ergens een leefbaarheidsnorm vastgesteld, die wordt bepaald op basis van verschillende leefbaarheidsfactoren. Daar zijn dan weer tabelletjes voor, kleurige overzichtjes en misschien wel een grafiek. Maar wat is ‘studeerbaar’? Bevind ik me in een studeerbare omgeving? Hooguit in een bestudeerbare omgeving. ‘De context bestuderen’ is bij uitstek een zinsnede die vaak door geesteswetenschappers wordt gebezigd. Als in: ‘Je moet ook de context bestuderen.’
Op basis van voorafgaande overwegingen wil ik poneren dat studeerbaarheid een volledig leeg woord is. Dat de bestuurderstaal zo vergroeid is geraakt met het discours van de studentenpartijen is op zich al een kwalijke zaak, maar dat is nog tot daar aan toe. Het probleem is dat ik de UvA in de maand mei als minder ‘studeerbare’ omgeving ervaar, en dat juist door de aanwezigheid van diegenen die claimen ‘studeerbaarheid’ hoog in hun vaandel te hebben staan.

Maar misschien heb ik het mis. Ik zal even naar ze toelopen, een roze koek eten en een kopje koffie met ze drinken en terloops bestuderen hoe dat nou zit met die studeerbaarheid. Leuk kunstje lijkt me dat.

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 18 mei 2013, 10:59

tags: , ,

reageren


Nostalgie

Imre van Son / doorgeefcolumn

Toen ik zo-even door mijn kamer aan het ijsberen was, zag ik plotseling op een van de onderste planken van mijn boekenkast Literair mechaniek staan, ingeklemd tussen Taal en Taalwetenschap en Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Mijn boekenkast zit erg vol, dus het kostte me enige moeite om het boek uit zijn benarde positie te bevrijden.

Nu ligt het voor me op tafel. Terwijl ik wat stof van de groene kaft veeg, bekruipt me een gevoel van nostalgie. Op de achterkant lees ik dat Literair mechaniek ‘bedoeld is voor letterkundestudenten die zich de analyse en de interpretatie van literaire teksten eigen willen maken’. Ik sla het boek open en stuit op termen als ‘amfibrachus’, ‘horizontaal woordspel’ en ‘binnenrijm’. Het gevoel van nostalgie wordt sterker.

Het is niet zonder reden dat mijn uitgave van Literair mechaniek bedekt is met een laag stof. Het woord ‘amfibrachus’ kom ik nu eenmaal niet zo vaak meer tegen in mijn studie (en dat is een understatement). Tegenwoordig word ik geconfronteerd met ‘post-postmodernisme’, ‘cultural mobility’ en ‘ethnicity’, geen concepten die je in eerste instantie met ‘de analyse en interpretatie van literaire teksten’ zou associëren.

Het lijkt erop dat het not done is om je in het huidige literatuuronderzoek bezig te houden met de analyse van een roman, of – nog erger – de interpretatie van een gedicht. Althans, er worden wel zaken geanalyseerd en geïnterpreteerd, maar niet op het niveau van rijmschema’s of stijlfiguren. Sinds de zogenaamde ‘cultural turn gaat het erom hoe een roman of gedicht functioneert binnen een bepaalde culturele en institutionele context, of binnen een bepaald discours. In navolging van de bètawetenschappen wordt er gezocht naar ‘harde feiten’, constateringen die kwantificeerbaar zijn.

Ooit heb ik een werkstuk ingeleverd waarvan de onderzoeksvraag luidde: ‘op welke manier speelt het oedipuscomplex een rol in het verhaal “Een ontvoogding” van W.F. Hermans?’ Toen kwam ik daar blijkbaar mee weg, maar in de Onderzoeksmaster Nederlandse Letterkunde zou zo’n vraag slecht vallen. Nu zou ik mijn toevlucht moeten nemen tot een vraag als: ‘hoe positioneert Hermans zich als publieke intellectueel binnen het linkse discours van de jaren zestig?’ Of iets dergelijks.

Dat Literair mechaniek nostalgische gevoelens bij me losmaakt, wil overigens niet zeggen dat ik pleit voor een terugkeer naar de tekstgerichte benadering van het New Criticism. Nostalgie mag geen reden zijn om een paradigmawisseling binnen de Neerlandistiek ongedaan te willen maken. Vergelijk het met de serie Mad Men. Dat we genieten van Don Draper, betekent niet dat de tijden van sigarettenrook en overmatig whiskygebruik zouden moeten herleven.

Toch?

Ik zet Literair mechaniek snel terug in de kast en ga verder met ijsberen.

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 13 maart 2013, 17:48

tags: , ,

reageren


Vreemde Vogels, gulden veren: de finale van het NK Poetry Slam 2012 - deel II

Claudia Zeller / web-exclusief

20:30

Laura van der Haar bijt het spits af. Ik noteer: ‘In het weiland steek je zwammen in de fik’ en ‘en dan kijk je naar de plek waar je later nog de geur van zou weten.’ De jury is onder de indruk van de manier waarop Laura scènes schetst. ‘Intiem en registrerend’, vindt Stitou, ‘mooie beelden, festivalkots.’ Na deze lovende woorden is het de beurt aan Josse Kok, het zachtaardige beest uit Dordrecht: ‘Je ademt wat, je kunt niet anders.’ Het publiek lacht, het kan niet anders.
Coen Cornelissen lijkt een heuse hovenier: ‘Totdat op mijn hoofd een bloemetje, ik denk een madelief, begon te bloeien.’ Ik had me voorgenomen het alleen over dieren te hebben, maar Coen gooit roet in het eten: ‘Als ik ervoor zou moeten kiezen, zou ik een woordenboom planten.’
Ik denk aan mijn verdord muntplantje thuis op het aanrecht.
Daniël Vis heeft ook een handje van komisch-trieste huiselijke scènes: ‘Na de afwas kijken de vissen gezellig mee, met de dvd-box die hij te duur vond.’ ‘Mooi en sterk’, vindt Toef Jaeger.
Met Jee Kast, de excuus-Belg, is daarna een rasperformer aan het woord. De woorden vliegen je om de oren, Toef Jaeger vindt het ‘mooi en ritmisch’.
Frederike Kossman, die zichzelf omschrijft als ‘puberaal dagboekdichteresje’ is de jongste van de finalisten. Ik noteer: ‘Billy is mijn Frankenstein’ en moet aan mijn IKEA-kast denken. ‘Ik miste de gekke sprongen met taal’, constateert Katinka Polderman. Optreden na Jee Kast, Daniël Vis en Josse Kok lijkt mij dan ook een bijzonder ondankbare plek als beginnend dichteresje.
Arnoud Rigter heeft een mooi kerstcadeau voor het publiek, een handleiding tot ontglippen: ‘Ontglippen doet u in een boogje.’ Ook voorziet hij in levensadvies: ‘Het antwoord op al uw existentiële vragen luidt: neen.’ Het publiek is razend enthousiast, maar de jury is kritisch:
‘Alsof de act het gedicht in de weg zat’, zegt Toef. Lieve Toef, je bent hier op een slam.
Tot slot Jan Ketelaar, de oudste van het gezelschap, en een staaltje meta-poëzie. Misschien ligt het aan de leeftijd?

21:40

Pauze! Ik rook een literair verantwoorde sigaret (Gauloises) en luister naar de gesprekken in de geïmproviseerde rookruimte. Op straat dus. Zoals elk jaar zijn de meningen verdeeld en is men bijzonder venijnig over de jury. Binnen wordt voorzichtig gedanst op de klezmerklanken van L’Chaïm. Nog snel een drankje, een sigaretje, een gesprekje en hup, we gaan verder met de tweede ronde.

22:00

De tweede ronde begint veelbelovend. Jan Ketelaar, Coen Cornelissen en Frederike Kossman zijn geëlimineerd en Arnoud Rigter trakteert het publiek op zijn ‘meest pathetische zin’. Komt-ie: ‘Mijn tranen hebben tenminste elkaar nog.’
Jee Kast laat in drie minuten zijn hele repertoire zien. ‘Ik heb nog nooit iemand gehoord die zo mooi witregels kan voordragen’, complimenteert Toef. Daarna, in omgekeerde volgorde ten opzichte van de eerste ronde, Daniël Vis, Josse Kok, en Laura van der Haar.
De jury geeft doorgaans nog hogere cijfers dan in de eerste ronde, het publiek klap, juicht en trappelt nog harder tijdens de applausmeting. Het belooft hoe dan ook een spannende finale te worden.

22:30

Wilde speculaties over de twee finalisten, maar er wordt niets verklapt. Spannend!

22:50

De finale ronde. Laura van der Haar en Jee Kast strijden om de titel Slampioen 2012- en een nieuw ondergoeddroogrekje. Als Jee Kast wint, dat wint er voor het eerst een Belg. Maar die winnen ook al elk jaar het Groot Dictee.
Laura en Jee zijn aan elkaar gewaagd. Er ontspint zich een poëtische dans, maar mijn pen kan het niet helemaal bijhouden. Bij dezen een aantal pareltjes:

Laura: ‘Ik wil de eerste zijn die voetstappen achterlaat in nat gras.’
Jee: ‘Ik wil eerder van jou zijn dan jij van mij.’
Laura: ‘Je kunt ruiken dat je net gebruikt bent.’
Jee: ‘Jij mag de borst zijn waarnaar ik grabbel.’

Poëzie of prostitutie? ‘Geestig, lyrisch en speels’, luidt het oordeel van de jury over Jee Kast, maar ook Laura wordt onder lovende woorden bedolven. Poëzie met ‘spankracht en intimiteit’, vindt Stitou. Na twee applausmetingen is het duidelijk: Laura is de nieuwe Slampioen en mag niet alleen de Gouden Vink maar ook een grote cheque mee naar huis nemen.

23:10

De finale van het NK Poetry Slam zit erop, net als de tijd van Het Poëziecircus, dat vanaf januari 2013 samen met de SLAU opgaat in Het Literatuurhuis. Tevens zijn er kabinetsplannen die circussen het houden van roofdieren willen verbieden. Laten we hopen dat in Het Literatuurhuis plek is voor vreemde vogels, luipaarden en andere wilde dieren.

Later die nacht…

Het stinkt in de trein, blijkbaar is er iemand over zijn nek gegaan. ‘Mooi beeld, festivalkots’, mompel ik wanneer de conducteur langs komt. Want ook al is het slechts gewone vrijdagavondkots, ik voel me alsof ik naar een festival ben geweest.

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 11 januari 2013, 16:25

tags: , ,

reageren


Vreemde Vogels, gulden veren: de finale van het NK Poetry Slam 2012 - deel I

Claudia Zeller / web-exclusief

14 dec 2012, 18:30

Op de Neude in Utrecht staat een standbeeld dat me nooit eerder is opgevallen. Het lijkt op een uitgemergelde haas, een anorectische eekhoorn of een holocaust-konijn. Elke week loop ik er langs, maar tot vanavond had ik er nooit goed naar gekeken. Blessed are the ignorant!
Vijf keer was ik langs dit verontrustende standbeeld gelopen, op zoek naar de Pauwstraat. De binnenstad van Utrecht leek op deze donkere decemberavond wel een simulacrum van een slecht onderhouden stalinistische dierentuin.

19:00

Natgeregend en chagrijnig bereik ik na een eindeloze dwaaltocht eindelijk muziekcentrum RASA. In de Pauwstraat. Muziekcentrum RASA hoor ik u vragen? Nooit van gehoord? De helft van de mensen die ik op straat had aangesproken ook niet. Misschien ligt het aan de mensen.

19:10

Ik ben binnen, het is droog, ik heb het bijna weer warm. Tijd voor een locatiebeschrijving.
RASA is een multicultureel centrum voor podiumkunsten.
‘Wel leuk als je van multiculturele dingen houdt’, zei een studiegenoot ’s middags nog tegen me.
Hier zal dus de tiende editie van de finale van het NK poetry slam plaatsvinden.

19:30

Ik loop wat rond, er is een bar en een gratis garderobe, de rookruimte is op straat. Tijd om de zaal in ogenschouw te nemen. Er hangt wat kerstachtige versiering, de Gouden Vink staat al op het podium.
Ook zijn er zitplaatsen. ‘Maar je mag ook wel staan’, zegt het meisje bij de tribune.

20:00

Het begint druk te worden, de poëzie zweeft door de ruimte, langs de onooglijke kerstdecoratie en de beats van L’Chaïm, tot nu toe het meest multiculturele element van de avond.

20:10

Ellen Deckwitz en Daan Doesborgh, de presentatoren, komen het podium op, introduceren de juryleden en de finalisten. Een sterke line-up: naast de usual suspects Daniël Vis, Arnoud Rigter en Josse Kok- door de presentatoren liefdevol aangeduid als ‘het beest uit Dordrecht- zullen twee meisjes (Laura van der Haar en Frederike Kossman), een newbie (Coen Cornelissen), Jan Ketelaar en (multicultureel element numero dos) Jee Kast, een Belg dus, vanavond strijden om eeuwige roem en een vogelkooi die volgens voormalige winnares Ellen Deckwitz een prima droogrekje voor je ondergoed is.
Traditioneel komt de winnaar/winnares van de vorige editie ook nog even het podium op, maar Kyra Wuck moet vanavond Nederland op het Europees Kampioenschap Poetry Slam vertegenwoordigen. Ingmar Heytze, fondsgenoot van Kyra bij Podium, leest voor uit haar debuutbundel ‘Finse Meisjes’.

20:20

Voordat we echt echt écht beginnen moet natuurlijk nog de jury geïntroduceerd: Mustafa Stitou, Katinka Polderman en Toef Jaeger. Voordat de juryleden tegenover het podium plaatsnemen, mogen ze zelf even een gedicht voordragen. Katinka zingt een liedje en dan- dan kunnen we beginnen!

Gepubliceerd door Sanne van Kempen - 3 januari 2013, 23:16

tags: , ,

reageren